Instellingen

25


Als je als pand
   de mantel van je naaste te pand neemt:

vóór de thuiskomst van de zon
   zul je die naar hem laten terugkeren;

26


want dát is zijn bedekking, dát alleen;

dát is zijn mantel voor zijn huid;
waarin zal hij anders slapen?
Zo zal het wezen: als hij tot mij schreeuwt
zal ik hóren, want ik ben genadig!
••

27


Gód zul je niet vervloeken,-

en een verhevene in je gemeenschap
   niet verwensen.