Instellingen

31


Maken zul je het overkleed bij de efod
   als een geheel van azuur.

32


Wezen zal de monding voor zijn hoofd
   op zijn plek;

een lip
moet er zijn aan zijn mond, rondom;
   maaksel van een spinner;

als de mond van een leren harnas
   moet hij eraan zijn,-
   hij mag niet scheuren!

33


Vastmaken zul je aan zijn slippen

granaatappels van azuur,
   purper en scharlaken karmozijn,

op zijn slippen, rondom;
en rinkelbellen van goud tussen hen in,
   rondom.

34


Een rinkelbel van goud, een granaatappel,

weer een rinkelbel van goud
   en een granaatappel,-

aan de slippen van het overkleed rondom.

35


Wezen zal het over Aäron in de eredienst;

gehoord zal worden zijn geluid
   als hij komt in het heiligdom,
   voor het aanschijn van de Ene,
   én als hij naar buiten gaat,
   en hij zal niet sterven!

••

36


Maken zul je een bloesemplaat
   van zuiver goud;

en insnijden zul je daarop
   met insnijdingen van een zegel:

‘heilig voor de Ene!’

37


Vastzetten zul je hem aan een azuren snoer

en wezen zal hij op de tulband;
aan de voorkant
   van het aanschijn van de tulband
   zal hij zijn.

38


Wezen zal hij

op het voorhoofd van Aäron,
en dragen zal Aäron de ongerechtigheid
   jegens de heiligheden

die de zonen Israëls heiligen
bij al hun gaven van heiliging;
zijn zal hij op zijn voorhoofd, altijd,
tot welbehagen voor hen
   voor het aanschijn van de Ene.