Instellingen

1


En dit is het woord

dat je aan hen zult doen
   om hen te heiligen
   om priester te zijn voor mij:

neem één var, het jong van een rund,
   en twee rammen, vol-gave dieren;

2


ongezuurd brood,

ongezuurde koeken, geweekt in olijfolie
en ongezuurde wafels, gezalfd met de olie:
van korfmeel zul je die maken.

3


Plaatsgeven zul je die in éénzelfde korf

en ze in de korf doen naderen;
ook de var
en de twee rammen.

4


Dan zul je Aäron en zijn zonen
   doen naderen

tot de ingang van de tent van samenkomst;
   wassen zul je hen met het water.

5


Nemen zul je dan de gewaden

en Aäron de mantel aantrekken,
het overkleed voor de efod,
de efod zelf en het borstschild;
de efod zul je hem ombinden
met de kunstige gordel van de efod.

6


Op zijn hoofd zul je de tulband zetten;

en plaatsgeven
   zul je de wijkrans van het heiligdom
   op de tulband.

7


De olie voor de zalving zul je nemen

en die uitgieten op zijn hoofd;
zalven zul je hem.

8


Ook zijn zonen zul je doen naderen;

bekleden zul je hen met mantels.

9


Omgorden zul je hen met een gordel,
   Aäron en zijn zonen,

en ombinden zul je hun de mijters,
zijn zal voor hen het priesterschap
   tot een inzetting van eeuwig;

vullen zul je de hand van Aäron
   en de hand van zijn zonen.