Instellingen

1


Mozes

is herder geworden
   over het wolvee van Jitro,
   zijn schoonvader, priester van Midjan;

hij drijft het wolvee tot achter de woestijn
en komt aan bij de berg van God,
   op Horeb aan.

2


Dan laat zich aan hem zien:
   de engel van de Ene
   in een vuurvlam
   uit het midden van de Sinaïdoorn;

hij ziet het aan:
ziedaar, de Sinaïdoorn gloeit in het vuur
en de Sinaïdoorn wordt niet verteerd!

3


Dan zegt Mozes:

ik móet van mijn weg afwijken,-
ik ga het zien, dit grootse gezicht:
wáárom verbrandt hij niet, de Sinaïdoorn?

4


Dan ziet de Ene
   dat hij van zijn weg is afgeweken
   om het te zien;

God roept tot hem
   uit het midden van de Sinaïdoorn

en zegt: Mozes!, Mozes!,
   en die zegt: hier ben ik!

5


Hij zegt: nader niet hierheen;

trek je schoenen van je voeten
want de plaats
waarop jij nu staat,-
heilige –rode– grond is dat!

6


En hij zegt:

ik ben de God van je vader,
God van Abraham,
   God van Isaak en God van Jakob!

Mozes verbergt zijn aanschijn,
want hij is bevreesd
om te kijken naar God!

7


Dan zegt de Ene:

gezien, gezien heb ik
   de onderdrukking van mijn gemeente
   in Egypte;

hun schreeuwen
   voor het aanschijn van hun drijvers
   heb ik gehoord,

ja ik heb weet van zijn smarten;

8


ik daal af

om hem te ontrukken
   aan de hand van Egypte

en om hem te doen ópklimmen
uit dat land
naar een land goed en wijd,
naar een land
   dat overvloeit van melk en honing;

naar het oord van de Kanaäniet
   en de Chitiet,

de Amoriet en de Periziet,
de Chiviet en de Jeboesiet;

9


welnu,

ziedaar, het geschreeuw
   van de zonen Israëls
   is tot mij gekomen;

ook heb ik de verdrukking gezien
waarmee de Egyptenaren hen verdrukken;

10


welnu: ga,

ik zend je tot Farao;
en leid mijn gemeente, de zonen Israëls,
   weg uit Egypte!

11


Dan zegt Mozes tot God:

wie ben ik
dat ik tot Farao zal gaan,-
en dat ik de zonen Israëls uitleid uit Egypte?

12


Maar hij zegt:

omdat ik met jou zal zijn* Tussen Exodus 3,12 en 4,17 is een verband voelbaar tussen vormen van het werkwoord hajah (‘zijn’) en de in 3,15 onthulde Godsnaam JHWH (‘die-er-zal zijn’). Om dat verband zichtbaar en hoorbaar te houden, maakt in dit gedeelte ‘de ENE’ plaats voor ‘Die-er-zal-zijn‘.
en dit is voor jou het teken
dat ík je heb gezonden:
als je de gemeente hebt uitgeleid uit Egypte
zullen jullie God dienen
op déze berg!

13


Dan zegt Mozes tot God:

ziedaar, ik zal aankomen
bij de zonen Israëls
en tot hen zeggen:
de God van uw vaderen
heeft mij tot u gezonden!-
als zij tot mij zeggen: wat is zijn naam?,
wat zal ik dan tot hen zeggen?

14


Dan zegt God tot Mozes:

ik zal er zijn* Zie de vorige noot., zoals ik er ben!
Hij zegt:
zó zul je tot de zonen Israëls zeggen:

Ik-zal-er-zijn heeft mij tot u gezonden!

15


Dan zegt God nog tot Mozes:

zó zul je zeggen
tot de zonen Israëls:

Die-er-zal-zijn,

de God van uw vaderen,
God van Abraham,
   God van Isaak en God van Jakob,
   heeft mij tot u gezonden;

dit is mijn naam voor eeuwig
en dit is mijn gedachtenis
   voor generatie op generatie;

16


ga heen en verzamel
   Israëls oudsten;

zeg dan tot hen: Die-er-zal-zijn,
de God van uw vaderen,
   heeft zich aan mij laten zien,

de God van Abraham, Isaak en Jakob,
   en heeft gezegd:

met mijn omzien heb ik omgezien naar u en
naar wat ze u in Egypte hebben aangedaan;

17


ik zeg:

ik zal u doen opklimmen
uit de verdrukking in Egypte,
naar het land van de Kanaäniet en de Chitiet,
de Amoriet en de Periziet,
de Chiviet en de Jeboesiet,-
naar een land
   dat overvloeit van melk en honing;

18


als ze horen naar je stem

en je aankomt,
jij en Israëls oudsten, bij Egyptes koning,
dan zult ge tot hem zeggen:
   Die-er-zal-zijn

de God van de Hebreeërs, is ons ontmoet,-
welnu:
wij moeten gáán,
een weg van drie dagen de woestijn in,
en offeren aan Die-er-zal-zijn, onze God!-

19


maar ik weet

dat hij u niet zal vrijgeven,
   de koning van Egypte,
   om te gáán;

ook niet door een sterke hand;

20


maar ik zal mijn hand uitzenden
   en Egypte slaan

met al mijn wonderen
die ik in zijn binnenste ga doen:
daarná zal het u heenzenden

21


en geef ik deze gemeente
   genade in de ogen van Egypte,-

zijn zal het dat ge gáát;
gaat niet ledig heen zonder iets!-

22


vragen zal een vrouw
   van haar medebewoonster en van de
   zwerfster-te-gast in haar huis

voorwerpen van zilver,
   voorwerpen van goud, en kleren;

leggen zult ge die
   over uw zonen en over uw dochters:
   plunderen zult ge Egypte!