Instellingen

1


Als de gemeente ziet

dat Mozes talmt
om af te dalen van de berg,
vergadert de gemeente zich tegen Aäron
en zeggen ze tot hem: sta op,
   maak voor ons goden

die voor ons aanschijn uit gaan;
want hij, die man Mozes,
die ons heeft doen opklimmen
   uit het land van Egypte,-

we weten niet wat hem is geschied!

2


Dan zegt Aäron tot hen:

maakt los de slavenringen van goud
aan de oren van uw vrouwen,
uw zonen en dochters,-
en laat ze komen tot mij!

3


Dan maken ze, heel de gemeente,

de slavenringen van goud aan hun oren los,-
en komen er mee tot Aäron.

4


Die neemt het uit hun hand aan,

geeft het vorm met een beitel
en maakt het tot een stierkalf van gietwerk;
dan zeggen ze:
dit zijn je Goden, Israël,
die je hebben doen opklimmen
   uit het land van Egypte!

5


Aäron ziet het,-

en bouwt een altaar voor ‘zijn’ aanschijn;
Aäron roept en zegt:
feest voor de Ene is het morgen!

6


Ze rechten hun schouders
   de volgende morgen,

doen opgangsgaven opgaan en
vredesgaven nadertreden;
dan gaat de gemeente zitten om te eten
   en te drinken,

en staan ze op om te stoeien…

7


De Ene spreekt tot Mozes:

ga, daal af!-
want die gemeente
   van jou heeft het verdorven,

die jij hebt doen opklimmen
   uit het land van Egypte;

8


afgeweken zijn ze, met haast,

van de weg die ik hun heb geboden,-
gemaakt hebben ze zich
een stierkalf van gietwerk;
ze buigen zich daarvoor, ze offeren daaraan
en zeggen:
dit zijn je Goden, Israël,
die je hebben doen opklimmen
   uit het land van Egypte!

9


Dan zegt de Ene tot Mozes:

gezien heb ik deze gemeente
en ziehier,
   een gemeente hard van nek is het!-

10


welnu, laat me met rust,

dan kan mijn toorn tegen hen losbranden
   en zal ik hen verteren;

en jou maak ik tot een groot volk!

11


Dan zoekt Mozes de zachtheid

van het aanschijn van de Ene, zijn God;
hij zegt:
waarom, Ene,
   zou uw toorn losbranden tegen
   uw gemeente

die gij hebt uitgeleid uit het land van Egypte
met grote kracht en sterke hand?-

12


waarom zouden de Egyptenaren zeggen
   wat ze gaan zeggen:

met kwade opzet heeft hij hen uitgeleid,
   om hen te vermoorden

in de bergen,
om een eind aan hen te maken
op het aanschijn van de –rode– grond!-
keer u af van het branden van uw toorn
en heb berouw over het kwaad
   voor uw gemeente!-

13


gedenk toch

Abraham, Isaak en Israël,
   uw dienaars,

aan wie ge hebt gezworen
bij uzelf
en tot wie ge hebt gesproken:
talrijk maken zal ik jullie zaad
als de sterren des hemels;
en heel dit land waarvan ik heb gezegd
‘ik geef het aan uw zaad’
zullen ze geschonken krijgen voor eeuwig!

14


Dan krijgt hij berouw, de Ene,

over het kwaad
dat hij heeft uitgesproken
   om zijn gemeente aan te doen.