Instellingen

1


Dan spreekt de Ene tot Mozes:

ga heen, klim op van hier,
jij en de gemeente
die je hebt doen opklimmen
   uit het land van Egypte,

naar het land
waarover ik heb gezworen aan Abraham,
   aan Isaak en aan Jakob, en heb gezegd:

‘aan jouw zaad zal ik het geven!’-

2


zenden zal ik ik voor je aanschijn uit een engel;

verdrijven zal ik
de Kanaäniet, de Amoriet,
de Chitiet en de Periziet,
de Chiviet en de Jeboesiet,-

3


op de weg naar een land
   dat overvloeit van melk en honing;

want ik zal niet méé opklimmen in je kring,-
want een gemeente hard van nek ben je;
anders zal ik je onderweg verteren!

4


De gemeente hoort

dit kwade woord en ze gaan in de rouw;
geen man deed meer zijn sieraad aan.

5


De Ene zegt tot Mozes:

zeg tot de zonen Israëls:
   jullie zijn een gemeente hard van nek,

zal ik één ogenblik mee opklimmen
   in je kring
   dan zal ik een einde aan je maken;

welnu:
doe je sieraden van je af,
dan kan ik weten wat ik je zal doen!

6


De zonen Israëls
   beroven zich van hun sieraden,
   vanaf de berg Horeb.

7


Mozes neemt de tent
   en heeft hem voor zich
   buiten de legerplaats uitgespannen,

verwijderd van de legerplaats,
en tot hem geroepen: ‘tent van samenkomst!’;
zo is het geweest: ieder die de Ene zocht
trok uit naar de tent van samenkomst
buiten de legerplaats.

8


Zo is het geweest:

als Mozes uittrok naar de tent
stonden ze op, heel de gemeente,
en posteerden ze zich
ieder in de opening van zijn tent;
ze keken Mozes na
totdat hij aankwam in de tent.

9


Zo is het geweest:

als Mozes aankwam in de tent,-
daalde de staande wolk neer
en bleef staan in de opening van de tent;
hij sprak dan met Mozes.

10


Zag heel de gemeente de staande wolk

staan in de opening van de tent,
dan rees heel de gemeente op
   en bogen ze zich neer,

ieder voor de opening van zijn tent.

11


Dan sprak de Ene tot Mozes
   van gelaat tot gelaat,

zoals een man spreekt tot zijn makker;
dan keerde hij terug naar de legerplaats.
Zijn helper Jozua, zoon van Noen,
   een jongen nog,

week niet uit de tent.
••

12


Mozes zegt tot de Ene:

zie aan, gij
zegt tot mij:
   doe deze gemeente ópklimmen,

maar gij hebt mij niet doen weten
wie ge uitzendt met mij mee;
gij hebt gezegd ‘ik ken jou bij name’
en óók ‘genade heb je gevonden
   in mijn ogen’;

13


welnu,

áls ik toch genade heb gevonden
   in uw ogen:

doe mij toch uw weg kennen,
dan ken ik u
opdat ik genade zal vinden in uw ogen;
zie in
dat het uw gemeente is, dit volk!

14


Hij zegt:

als mijn gelaatstrekken meegaan,
   zal ik je dan tot rust brengen?

15


Hij zegt tot hem:

als uw gelaatstrekken niet meegaan,
laat ons dan niet van hier opklimmen!-

16


waaraan wordt anders geweten

dat ik genade heb gevonden in uw ogen,
   ikzelf en uw gemeente,

niet doordat gij met ons mee gaat?-
en wij zó onderscheiden zijn,
   ikzelf en uw gemeente,-

van heel de gemeenschap
op het aanschijn van de –rode– grond?

17


Dan zegt de Ene tot Mozes:

ook dít woord dat je hebt gesproken
   zal ik doen;

want je hebt genade gevonden in mijn ogen,-
ik ken je bij name!

18


Dan zegt hij:

laat mij toch uw glorie zien!

19


Hij zegt:

van mij uit laat ik voorbijtrekken:
   heel mijn goedheid,
   vlak voor je aanschijn,

en uitroepen zal ik de naam ‘Ene
   voor je aanschijn;

begenadigen zal ik wie ik begenadig
en ontfermen zal ik mij
   over wie ik mij ontferm!

20


En hij zegt:

je zult niet bij machte zijn
   om mijn gelaat te zien;

want nooit ziet de –rode– mens mij aan
   en overleeft het!

21


Dan zegt de Ene:

hier is een plaats bij mij;
opstellen zul jij je op de rots;

22


geschieden zal het
   als mijn glorie voorbijtrekt:

neerzetten zal ik je in een holte van de rots;
overhuiven zal ik je met mijn handpalm
   totdat ik voorbijtrek;

23


weghalen zal ik mijn handpalm

en zien zul je mijn achterkant;
mijn gelaatstrekken
   zullen niet worden gezien!

••