Instellingen

12


Mozes zegt tot de Ene:

zie aan, gij
zegt tot mij:
   doe deze gemeente ópklimmen,

maar gij hebt mij niet doen weten
wie ge uitzendt met mij mee;
gij hebt gezegd ‘ik ken jou bij name’
en óók ‘genade heb je gevonden
   in mijn ogen’;

13


welnu,

áls ik toch genade heb gevonden
   in uw ogen:

doe mij toch uw weg kennen,
dan ken ik u
opdat ik genade zal vinden in uw ogen;
zie in
dat het uw gemeente is, dit volk!

14


Hij zegt:

als mijn gelaatstrekken meegaan,
   zal ik je dan tot rust brengen?

15


Hij zegt tot hem:

als uw gelaatstrekken niet meegaan,
laat ons dan niet van hier opklimmen!-

16


waaraan wordt anders geweten

dat ik genade heb gevonden in uw ogen,
   ikzelf en uw gemeente,

niet doordat gij met ons mee gaat?-
en wij zó onderscheiden zijn,
   ikzelf en uw gemeente,-

van heel de gemeenschap
op het aanschijn van de –rode– grond?

17


Dan zegt de Ene tot Mozes:

ook dít woord dat je hebt gesproken
   zal ik doen;

want je hebt genade gevonden in mijn ogen,-
ik ken je bij name!

18


Dan zegt hij:

laat mij toch uw glorie zien!

19


Hij zegt:

van mij uit laat ik voorbijtrekken:
   heel mijn goedheid,
   vlak voor je aanschijn,

en uitroepen zal ik de naam ‘Ene
   voor je aanschijn;

begenadigen zal ik wie ik begenadig
en ontfermen zal ik mij
   over wie ik mij ontferm!

20


En hij zegt:

je zult niet bij machte zijn
   om mijn gelaat te zien;

want nooit ziet de –rode– mens mij aan
   en overleeft het!

21


Dan zegt de Ene:

hier is een plaats bij mij;
opstellen zul jij je op de rots;

22


geschieden zal het
   als mijn glorie voorbijtrekt:

neerzetten zal ik je in een holte van de rots;
overhuiven zal ik je met mijn handpalm
   totdat ik voorbijtrek;

23


weghalen zal ik mijn handpalm

en zien zul je mijn achterkant;
mijn gelaatstrekken
   zullen niet worden gezien!

••