Instellingen

1


Daarna

zijn ze aangekomen, Mozes en Aäron;
ze zeggen tot Farao:
zo heeft gezegd de Ene, Israëls God:
zend mijn gemeente uit,-
dat ze voor mij feestvieren in de woestijn!

2


Dan zegt Farao:

wíe is ‘de Ene
   dat ik moet horen naar zijn stem

om Israël uit te zenden?-
nooit gekend!- ‘de Ene’,
en ook zend ik Israël niet uit!

3


Dan zeggen ze:

de God van de Hebreeërs heeft ons ontmoet;
wij moeten gaan
een weg van drie dagen in de woestijn:
en offeren aan de Ene,
   God-over-ons;

anders zal hij ons treffen
met de pest of met het zwaard.

4


Dan zegt tot hen de koning van Egypte:

wáárvoor, Mozes en Aäron,
maken jullie de gemeente teugelloos
   los van wat ze hebben te doen?-

gaat heen!, aan jullie lasten!

5


Farao,- de teugelloze, zegt:

juist nu ze met zovelen zijn,
   de gemeente van het land,

zullen jullie ze sabbat laten houden
   van hun lasten?!

6


Op die dag gebiedt Farao

de drijvers in de gemeente
en zijn opzichters, en zegt:

7


gaat niet verder

met het geven van stro aan de gemeente
   om tichelsteen te bakken
   zoals gisteren en eergisteren;

ze zullen zélf gaan
om voor zichzelf stro te sprokkelen!-

8


en het vastgestelde aantal tichelstenen
   dat zij gisteren en eergister maakten,
   zult ge hun opleggen,

scheert daar niets van af!-
want slappelingen zijn het;
dáárom
schreeuwen ze zo en zeggen ze:
we willen weggaan
   en offeren aan onze God!-

9


zwaar zal het dienstwerk wegen
   op die mannen
   zodat ze daarmee doende blijven

en niet van doen hebben met leugenpraat!

10


Dan trekken ze uit,
   de drijvers van de gemeente
   en hun opzichters

en zeggen tot de gemeente:
zo heeft gezegd Farao, zeggen ze,
géén die u nog stro geeft!-

11


gaat zelf,

haalt stro voor uzelf
waar u het vindt;
want geen woord is er afgeschoren
   van uw dienstwerk!

12


Dan verspreidt de gemeente zich
   over heel het land van Egypte,-

om stoppels te sprokkelen
   in plaats van het stro.

13


De drijvers dringen aan en zeggen:

maakt af wat jullie te doen hebben;
het afgesprokene voor een dag op die dag!,
zoals toen er nog stro was.

14


Maar de opzichters uit de zonen Israëls

die de drijvers van Farao
over hen hebben aangesteld
worden geslagen en zeggen:
waarom
hebben jullie
   je verplichte deel tichelstenen niet
   afgemaakt zoals gisteren en eergisteren,

én gisteren én vandaag niet?

15


Dan komen

de opzichters uit de zonen Israëls aan
en schreeuwen het uit tot Farao, en zeggen:
waarvoor doet u zó aan uw dienaars?-

16


stro

wordt aan uw dienaars niet gegeven,
maar over de tichelstenen zeggen ze ons:
   maak ze maar!-

zie, wij uw dienaars worden geslagen
en het is de schuld van úw manschap!

17


Maar hij zegt: slappelingen zijn jullie,
   slappelingen;

dáárom zeggen jullie:
we moeten gaan
   offeren aan de Ene!-

18


welnu, gáát en slóóft!-

stro wordt jullie niet gegeven
maar het vastgestelde aantal stenen
   geven jullie wel!

19


Dan zien

de opzichters uit de zonen Israëls
   zich er slecht voorstaan,
   nu ze moeten zeggen:

jullie scheren niets af
   van jullie hoeveelheid stenen,

het afgesprokene voor een dag op die dag!

20


Ze stuiten op Mozes en Aäron,

geposteerd om hen te ontmoeten,
als zij naar buiten komen van bij Farao.

21


Ze zeggen tot hen:

de Ene moge op jullie neerzien
   en rechtspreken!,

omdat jullie onze reuk
   stinkend hebben gemaakt

in de ogen van Farao
   en in de ogen van zijn dienaars,

en hun zo een zwaard in de hand
   hebben gegeven
   om ons te vermoorden!