Instellingen

1


Dan zegt de Ene tot Mozes:

kom binnen bij Farao;
spreken zul je tot hem:
zó heeft gezegd de Ene,
   de God der Hebreeërs:

zend mijn gemeente heen,
   dat ze mij dienen!-

2


want als u weigert om heen te zenden,

en nog langer u aan hen vergrijpt,

3


ziehier, de hand van de Ene zal zijn

op uw levende have te velde,
op de paarden, op de ezels, op de kamelen,
op het rundvee en op het wolvee:
een pest* De Hebreeuwse woorden voor ‘pest’ en ‘woord’ hebben exact dezelfde medeklinkers (dbr)., die zéér zwaar zal zijn;

4


maar scheiding zal hij maken, de Ene,

tussen de levende have van Israël
en de levende have van Egypte;
dan sterft van alles van de zonen Israëls
   geen woord* Zie de vorige noot.!

5


De Ene stelt een overeenkomst vast, en zegt:

mórgen
zal de Ene dit woord* Zie hierboven. dóen op het land!

6


Dan dóet de Ene dit woord
   als het morgen wordt,

en sterft
heel de levende have van Egypte;
van de have van de zonen Israëls
   is er niet één gestorven!

7


Farao zendt iemand uit

en ziedaar
zelfs niet één is er gestorven
   van Israëls levende have;

maar zwaar blijft het hart van Farao
en hij heeft de gemeente níet heengezonden.

8


Dan zegt de Ene

tot Mozes en tot Aäron:
neemt u vuisten vol
roet van de oven,
en laat Mozes het voor Farao’s ogen
   hemelwaarts strooien;

9


worden zal dat tot een stofwolk

over heel het land van Egypte!,
en worden zal het over mens en dier
tot een ontsteking, uitbrekend in zweren,
   op heel het land van Egypte!

10


Ze némen

het roet van de oven,-
en gaan staan voor het aanschijn van Farao;
dan strooit Mozes het hemelwaarts;
het geschiedt:
ontsteking met zweren,
uitbrekend
bij mens en dier.

11


De tekenduiders
   zijn niet bij machte geweest

om zich staande te houden
   voor Mozes’ aanschijn
   door de verschijning van de ontsteking;

want geschied is de ontsteking
bij de tekenduiders en bij álle Egyptenaren.

12


Maar sterk maakt de Ene Farao’s hart

en die heeft niet naar hen gehoord;
zoals de Ene tot Mozes had gesproken.
••

13


Dan zegt de Ene tot Mozes:

recht in de ochtend je schouders
en posteer je voor Farao’s aanschijn;
zeggen zul je tot hem:
zo heeft gezegd de Ene,
   de God der Hebreeërs:

zend mijn gemeente heen,
   dat ze mij dienen!-

14


want déze keer

zend ik al mijn plagen tot uw hart,
over uw dienaars en over uw gemeenschap;
omwille daarvan dat u erkent
dat er géén is als ik op al het land;

15


want reeds heb ik mijn hand uitgezonden

en u en uw gemeenschap
   geslagen met de pest* Zie hierboven.

en bent u al weggevaagd van het land;

16


en toch,

omwille hiervan heb ik u staande gehouden:
om u mijn kracht te laten zien
en opdat men mijn naam vertelt
   op al het land;

17


nóg bent u daar
   als een dam tegen mijn gemeente,

door hen niet heen te zenden;

18


ziehier,
   ik laat morgen om deze tijd neerregenen

een zeer zware hagel;
zoals er niet over Egypte geweest is
van de dag van zijn grondvesting tot nu;

19


welnu,

zend mensen uit, beveilig uw levende have
en al wat er van u is op het veld;
alles, mens en dier,
   dat aangetroffen wordt op het veld

en niet is verzameld bij het huis,-
daalt over hen de hagel neer
   dan zullen ze sterven;

20


hij die ontzag heeft
   voor het woord* Zie hierboven. van de Ene

onder de dienaars van Farao,
laat zijn dienaars en have
   vluchten naar de huizen;

21


en wie zijn hart niet richt
   naar het woord* Zie hierboven. van de Ene

laat zijn dienaars en zijn have
   achter op het veld!

22


Dan zegt de Ene tot Mozes:

strek je hand uit tegen de hemelen,
en het geschiedt: hagel
   op alle land van Egypte,-

over mens en over dier
en over alle kruid des velds
   op het land van Egypte!

23


Dan strekt Mozes die staf van hem uit,

tegen de hemelen,
en de Ene
heeft gegeven: donderstemmen en hagel;
vuur schiet ter aarde;
hagel laat hij regenen, de Ene,
   op het land van Egypte.

24


Het geschiedt: hagel

en vuur
dat tussen de hagel door schiet,-
zeer zwaar,
zoals niet is voorgekomen
   in heel het land van Egypte

sinds het is voorgekomen als een volk.

25


Zo slaat de hagel
   op heel het land van Egypte

al wat op het veld is neer,-
van mens tot dier;
alle kruid van het veld
   heeft de hagel geslagen,

elke boom op het veld gebroken.

26


Alleen in het land van Gosjen,

daar waar de zonen Israëls waren,
is geen hagel geweest.

27


Dan zendt Farao iemand

en roept om Mozes en om Aäron,
en zegt tot hen: ik heb gezondigd,
   deze keer;

de Ene is de rechtvaardige,
en ík en mijn gemeenschap
   zijn de boosdoeners;

28


bidt tot de Ene,-

tevéél
is er geweest aan
   donderstemmen van God en hagel;

ik zal u heenzenden,-
ge zult niet langer stilstaan!

29


Mozes zegt tot hem:

zodra ik de stad ben uitgetrokken
zal ik mijn handpalmen
   uitspreiden tot de Ene;

de donderstemmen zullen ophouden
en de hagel zal er niet langer wezen,
opdat u weet
dat het land is van de Ene;

30


en van u en uw dienaren

weet ik
dat ge nog geen ontzag hebt
voor het aanschijn van de Ene, God!