Instellingen

13


Dan zegt de Ene tot Mozes:

recht in de ochtend je schouders
en posteer je voor Farao’s aanschijn;
zeggen zul je tot hem:
zo heeft gezegd de Ene,
   de God der Hebreeërs:

zend mijn gemeente heen,
   dat ze mij dienen!-

14


want déze keer

zend ik al mijn plagen tot uw hart,
over uw dienaars en over uw gemeenschap;
omwille daarvan dat u erkent
dat er géén is als ik op al het land;

15


want reeds heb ik mijn hand uitgezonden

en u en uw gemeenschap
   geslagen met de pest* Zie hierboven.

en bent u al weggevaagd van het land;

16


en toch,

omwille hiervan heb ik u staande gehouden:
om u mijn kracht te laten zien
en opdat men mijn naam vertelt
   op al het land;

17


nóg bent u daar
   als een dam tegen mijn gemeente,

door hen niet heen te zenden;

18


ziehier,
   ik laat morgen om deze tijd neerregenen

een zeer zware hagel;
zoals er niet over Egypte geweest is
van de dag van zijn grondvesting tot nu;

19


welnu,

zend mensen uit, beveilig uw levende have
en al wat er van u is op het veld;
alles, mens en dier,
   dat aangetroffen wordt op het veld

en niet is verzameld bij het huis,-
daalt over hen de hagel neer
   dan zullen ze sterven;

20


hij die ontzag heeft
   voor het woord* Zie hierboven. van de Ene

onder de dienaars van Farao,
laat zijn dienaars en have
   vluchten naar de huizen;

21


en wie zijn hart niet richt
   naar het woord* Zie hierboven. van de Ene

laat zijn dienaars en zijn have
   achter op het veld!

22


Dan zegt de Ene tot Mozes:

strek je hand uit tegen de hemelen,
en het geschiedt: hagel
   op alle land van Egypte,-

over mens en over dier
en over alle kruid des velds
   op het land van Egypte!

23


Dan strekt Mozes die staf van hem uit,

tegen de hemelen,
en de Ene
heeft gegeven: donderstemmen en hagel;
vuur schiet ter aarde;
hagel laat hij regenen, de Ene,
   op het land van Egypte.

24


Het geschiedt: hagel

en vuur
dat tussen de hagel door schiet,-
zeer zwaar,
zoals niet is voorgekomen
   in heel het land van Egypte

sinds het is voorgekomen als een volk.

25


Zo slaat de hagel
   op heel het land van Egypte

al wat op het veld is neer,-
van mens tot dier;
alle kruid van het veld
   heeft de hagel geslagen,

elke boom op het veld gebroken.

26


Alleen in het land van Gosjen,

daar waar de zonen Israëls waren,
is geen hagel geweest.

27


Dan zendt Farao iemand

en roept om Mozes en om Aäron,
en zegt tot hen: ik heb gezondigd,
   deze keer;

de Ene is de rechtvaardige,
en ík en mijn gemeenschap
   zijn de boosdoeners;

28


bidt tot de Ene,-

tevéél
is er geweest aan
   donderstemmen van God en hagel;

ik zal u heenzenden,-
ge zult niet langer stilstaan!

29


Mozes zegt tot hem:

zodra ik de stad ben uitgetrokken
zal ik mijn handpalmen
   uitspreiden tot de Ene;

de donderstemmen zullen ophouden
en de hagel zal er niet langer wezen,
opdat u weet
dat het land is van de Ene;

30


en van u en uw dienaren

weet ik
dat ge nog geen ontzag hebt
voor het aanschijn van de Ene, God!

31


Het vlas en de gerst zijn stukgeslagen,

want de gerst stond al met aren
en het vlas was in bloei;

32


maar de tarwe
   en de spelt zijn niet stukgeslagen,

want van latere tijd zijn die.

33


Dan trekt Mozes bij Farao vandaan
   de stad uit

en spreidt zijn handpalmen uit tot de Ene;
de donderstemmen en de hagel houden op
en de regen overstroomde niet langer
   het land.

34


Als Farao ziet

dat het is opgehouden
   -de regen, de hagel en de donderstemmen-
   gaat hij dóór met zondigen:

hij maakt zijn hart zwaar, hij en zijn dienaren.

35


Sterk blijft het hart van Farao,

hij heeft de zonen Israëls niet heengezonden,
zoals gesproken had de Ene,
   door de hand van Mozes.