Instellingen

12


Maar zijt niet gíj vanouds,


Ene, mijn God, mijn Heilige,
   die niet sterft?-


Ene, om te berechten
   hebt gij hem aangesteld,

o Rots,
   om te straffen, hebt gij hem gegrondvest!

13


Gij die te rein zijt van ogen

om kwaad aan te zien
en naar onheil niet kunt kijken,-
waarom kijkt ge verraders aan
en zwijgt ge
als een boosdoener iemand verslindt
   die rechtvaardig is,
   anders dan hijzelf?

14


Gij doet met een mens

als met de vissen in de zee,-
als met het kruipend gedierte
   dat geen heerser heeft;

15


alles zal hij ophalen met een haak,

vangen in zijn fuik
en verzamelen in zijn werpnet;
daarom is hij verheugd en jubelt hij.

16


Daarom offert hij aan zijn fuik

en bewierookt hij zijn werpnet;
want door hen is zijn aandeel
   vet geworden

en is zijn eetwaar welgeschapen.

17


Mag hij daarom zijn fuik blijven legen,-

volkeren vermoorden en niemand sparen?
••