Instellingen

2


Tot hoelang, Ene,
   moet ik roepen om hulp

en hoort gij niet?-
ik schreeuw tot u ‘geweld’
   en gij redt niet!

3


Waarom laat ge mij onheil zien
   en ellende aankijken?-

verwoesting en geweld
   staan tegenover mij;

er breekt twist uit
en tweedracht verheft zich.

4


Daardoor wordt onderricht ontkracht

en komt voor immer geen recht tevoorschijn;
want de boze omringt de rechtvaardige,
en daardoor komt recht
   verdraaid tevoorschijn!

5


‘Ziet om bij de volkeren en kijkt,

en verbaast u vol verbazing,-
want ik bewerk in uw dagen een werk
dat ge niet zoudt geloven
   wanneer het werd verteld.

6


Want zie, ik doe de Kasdiem opstaan,

dat bittere en gehaaste volk,-
dat door de ruimten der aarde gaat
om woonsteden te beërven
   die het eerder niet had.

7


Angstaanjagend en vreeswekkend is het,-

daaruit komt
zijn recht en verheffing tevoorschijn.

8


Lichtvoetiger dan panters
   zijn zijn paarden,

en feller dan wolven bij avond
stormen zijn ruiters aan;
zijn ruiters komen van verre,
aangevlogen
zoals een adelaar
   zich haast om te eten.

9


In z’n geheel zal het komen,
   met geweld,

en de koers van hun aanschijn
   is naar het oosten,-

gevangenen verzamelt het als zand.

10


Dát, het steekt met koningen de gek

en machthebbers maakt het belachelijk;
dát, over elk bolwerk lacht het,
het hoeft maar stof op te hopen
   en het neemt een stad in.

11


Dan komt het als een windvlaag aangegleden
   en trekt voorbij, en maakt zich schuldig:

zijn kracht wordt tot zijn god!’

12


Maar zijt niet gíj vanouds,


Ene, mijn God, mijn Heilige,
   die niet sterft?-


Ene, om te berechten
   hebt gij hem aangesteld,

o Rots,
   om te straffen, hebt gij hem gegrondvest!