Instellingen

1


Op mijn wachttoren ga ik staan,

ik posteer mij op een wal,-
en ik spied
om te zien wat hij in mij zal spreken
en wat hij zal teruggeven op mijn aanklacht.

2


De Ene antwoordt mij en zegt:

schrijf op wat je aanschouwt
en zet het duidelijk op de platen,-
opdat wie daarin leest
   kan doorrennen.

3


Want nog wacht het visioen
   op de overeengekomen tijd,

maar het hijgt naar het einde
   en liegt daarin niet;

als het uitblijft, verbeidt het,
want het komt en zal komen,
   het blijft niet achterwege!

4


Zie, als iemands ziel opgeblazen is,
   spoort die niet echt in hem,-

maar een rechtvaardige zal léven
   door zijn geloof.

5


Ja, al bedriegt de wijn

een trotse kerel, hij bereikt niets,-
die zijn ziel ruim maakt als de hel,
hij is als de dood die niet wordt verzadigd
en tot zich alle volkeren verzamelt
en alle gemeenschappen bij zich vergaart.

6


Zullen die allen niet

een gelijkenisspreuk tegen hem aanheffen,
een spotlied vol raadsels voor hem?-
laat dan worden gezegd:
wee hem die vermeerdert
   wat niet van hem is,-

tot wanneer?,
en die zich bezwaart
   met gepand goed!

7


Zullen niet plotsklaps

je geldschieters opstaan
en ontwaken
   wie jou de bibbers bezorgen?-

je zult tot plunderspul voor hen worden!

8


Omdat jijzelf vele volkeren
   hebt beroofd

zal al wat er van de gemeenschappen over is
   jou beroven,-

vanwege de stromen mensenbloed
   en het geweld op aarde,

de vesting en allen die in haar zetelen!

9


Wee hem

die op kwalijke winst aast
   voor zijn huis,-

om zijn nest in de hoogte te bouwen
en zich zo te redden
   uit de greep van kwaad!

10


Je beraamde schande
   voor je huis,-

door vele gemeenschappen weg te kappen
en zo je ziel te beladen met zonde.

11


Ja, een bouwsteen uit de wand
   schreeuwt het uit

en een balk uit het houtwerk antwoordt!

12


Wee hem die een stad bouwt op bloed,-

een burcht fundeert op onrecht!

13


Zie, is het niet

van bij de Ene, de Omschaarde,-
dat gemeenschappen zich afmatten
   voor het vuur

en natiën voor lucht-en-leegte
   zich vermoeien?

14


Want de aarde moet worden vervuld

van kennis van glorie van de Ene,-
zoals wateren de zee overdekken.
••

15


Wee wie zijn naaste laat drinken,

jouw gif erbij mengt
   en hem ook dronken voert,-

om naar hun naaktheid te kijken!

16


Verzadigen zul je je met geringschatting
   in plaats van glorieus gewicht;

drink ook zelf en toon je naakte voorhuid!-
naar jou toe zal worden gedraaid
een beker uit de rechterhand van de Ene,
vol geringschatting
   over jouw gewichtige glorie!

17


Ja, het geweld tegen de Libanon
   zal jou overdekken,

en je vernielzucht tegen dieren
   zal je opbreken,-

vanwege de stromen mensenbloed
   en het geweld op aarde,

de vesting en allen die in haar zetelen!
••

18


Wat baat een snijbeeld,

wanneer zijn formeerder het gesneden heeft?-
een gietbeeld en een leugenleraar,-
wanneer zijn formeerder zich daarbij
veilig waant
en zo stomme afgoden maakt?
••

19


Wee hem die tot een stuk hout zegt

‘word wakker!’,
‘ontwaak!’ tot een stil stuk steen;
moet dat onderricht geven?-
zie, wel is het
beslagen met goud en zilver,
maar geestesadem zit er niet in;

20


maar de Ene huist
   in zijn heilige tempel;

zwijg voor zijn aanschijn
   heel de aarde!