Instellingen

1


In de achtste maand

in het tweede jaar van Darjavesj,-
is het woord van de Ene geschied
aan Zacharia, zoon van Berechja
zoon van Ido, de profeet, zeggend:

2


toornig is de Ene over uw vaderen
   vertoornd geweest;

3


zeg tot hen:

zó heeft gezegd de Ene, de Omschaarde:
keert terug naar mij,
is de tijding van de Ene, de Omschaarde,-
dan keer ik terug naar u,
heeft gezegd de Ene, de Omschaarde;

4


wordt niet als uw vaderen,

tot wie de vroegere profeten riepen
   en zeiden:

zo heeft gezegd de Ene, de Omschaarde:
keert toch terug van uw kwade wegen
en kwade werken!-
maar zij hoorden niet
   en sloegen geen acht op mij,
   is de tijding van de Ene;

5


uw vaderen, waar zijn zij,-

en die profeten,
leven zij voor eeuwig?-

6


maar mijn woorden en wetten,

die ik mijn dienaars de profeten heb geboden,
hebben die uw vaderen niet bereikt?-
zij zijn teruggekeerd en hebben gezegd:
zoals de Ene, de Omschaarde,
   van plan was aan ons te doen

naar onze wegen en onze werken,
zo heeft hij met ons gedaan!
••

7


Op de vierentwintigste dag

na de elfde nieuwe maan
-dat is de maand Sjevat-
in het tweede jaar van Darjavesj,-
is het woord van de Ene geschied
aan Zacharia, zoon van Berechjahoe
zoon van Ido, de profeet, zeggend:

8


vannacht zag ik

en zie, iemand rijdend op een
   bloedrood paard,

die blijft staan
tussen de mirtestruiken in de diepte;
achter hem bloedrode paarden,
helrode en witte;

9


ik zeg:
   wat betekenen zij, mijn heer?

En dan zegt tot mij
de engel die met mij spreekt:
ik zal je laten zien
wat zij betekenen!

10


Dan antwoordt

de man die tussen de mirtestruiken staat
   en zegt:

dezen zijn het die de Ene heeft gezonden
om rond te gaan over de aarde!

11


En zij antwoorden

de engel van de Ene
die tussen de mirtestruiken staat:
wij zijn rondgegaan over de aarde,-
en zie, heel de aarde
   zit neer en is rustig!

12


Dan antwoordt de engel van de Ene
   en zegt:


Ene, Omschaarde,

tot wanneer
zult gij u niet ontfermen
   over Jeruzalem

en de steden van Juda,-
waarover gij deze zeventig jaar
   vergramd zijt geweest?

13


Dan antwoordt de Ene

aan de engel die tot mij spreekt
   goede woorden,-

vertroostende woorden;

14


en tot mij zegt

de engel die met mij spreekt:
roep, zeg:
zó heeft gezegd de Ene, de Omschaarde:
ijveren zal ik voor Jeruzalem en Sion
   met grote ijver,

15


en met grote toorn toorn ik

over de snoevende volkeren,-
die toen ik maar even vertoornd was
hebben geholpen ten kwade;

16


daarom

heeft de Ene zó gezegd:
met ontferming zal ik naar Jeruzalem
   terugkeren,

mijn huis zal in haar worden herbouwd,
is de tijding van de Ene, de Omschaarde;
er mag over Jeruzalem een meetlint
   worden uitgestrekt!-

17


nogmaals: roep, en zeg:

zó heeft gezegd de Ene, de Omschaarde:
nogmaals zullen mijn steden overvloeien
   van het goede,-

nogmaals zal de Ene Sion troosten
en nogmaals zal hij Jeruzalem uitkiezen!
••