Op de vierentwintigste dag na de elfde nieuwe maan -dat is de maand Sjevat- in het tweede jaar van Darjavesj,- is het woord van de Ene geschied aan Zacharia, zoon van Berechjahoe zoon van Ido, de profeet, zeggend:
vannacht zag ik en zie, iemand rijdend op een bloedrood paard, die blijft staan tussen de mirtestruiken in de diepte; achter hem bloedrode paarden, helrode en witte;
9
ik zeg: wat betekenen zij, mijn heer? En dan zegt tot mij de engel die met mij spreekt: ik zal je laten zien wat zij betekenen!
10
Dan antwoordt de man die tussen de mirtestruiken staat en zegt: dezen zijn het die de Ene heeft gezonden om rond te gaan over de aarde!
11
En zij antwoorden de engel van de Ene die tussen de mirtestruiken staat: wij zijn rondgegaan over de aarde,- en zie, heel de aarde zit neer en is rustig!
12
Dan antwoordt de engel van de Ene en zegt: Ene, Omschaarde, tot wanneer zult gij u niet ontfermen over Jeruzalem en de steden van Juda,- waarover gij deze zeventig jaar vergramd zijt geweest?
13
Dan antwoordt de Ene aan de engel die tot mij spreekt goede woorden,- vertroostende woorden;
14
en tot mij zegt de engel die met mij spreekt: roep, zeg: zó heeft gezegd de Ene, de Omschaarde: ijveren zal ik voor Jeruzalem en Sion met grote ijver,
15
en met grote toorn toorn ik over de snoevende volkeren,- die toen ik maar even vertoornd was hebben geholpen ten kwade;
16
daarom heeft de Ene zó gezegd: met ontferming zal ik naar Jeruzalem terugkeren, mijn huis zal in haar worden herbouwd, is de tijding van de Ene, de Omschaarde; er mag over Jeruzalem een meetlint worden uitgestrekt!-
17
nogmaals: roep, en zeg: zó heeft gezegd de Ene, de Omschaarde: nogmaals zullen mijn steden overvloeien van het goede,- nogmaals zal de Ene Sion troosten en nogmaals zal hij Jeruzalem uitkiezen! ••