Vraagt van de Ene regen in de tijd van lentebuien als de Ene onweerswolken maakt; een stortregen zal hij aan hen geven, groen op het veld aan een ieder.
Want de terafiem hebben bedrog gesproken, en de waarzeggers hebben een leugen geschouwd, waandromen spraken ze uit, ijle lucht was de troost die ze boden; daarom hebben zij gedwaald als schapen, zijn zij ontredderd geraakt omdat er geen herder was! •
3
Tegen de herders is mijn woede ontstoken, aan de bokken zal ik bezoeking doen; ja, bezoeken zal de Ene, de Omschaarde, zijn kudde, het huis Juda, en hen maken als een paard dat glanst in de strijd.
4
Vanuit hem de hoeksteen, vanuit hem de tentpin, vanuit hem de strijdboog,- vanuit hem vertrekt elke drijver; samen
5
zullen zij als helden zijn die het slijk van de straten vertrappen in de strijd, en strijden zúllen zij, omdat de Ene met hen is; beschamen zullen zij de berijders van paarden;
6
het huis Juda maak ik heldhaftig, en het huis van Jozef red ik; ik zal hen doen terugkeren want ik heb mij over hen ontfermd, en worden zullen zij alsof ik hen nooit heb verstoten; want ik ben de Ene, hun God, en ik zal hen verhoren;
7
die van Efraïm zullen worden als een held, en hun hart zal verheugd zijn als van wijn; hun zonen zullen het zien en verheugd zijn, hun hart zal jubelen om de Ene;
8
ik zal naar hen fluiten en hen vergaren, want ik heb hen vrijgekocht; even talrijk als ze waren zullen ze weer worden;
9
zaai ik hen uit onder de gemeenschappen, in die verre streken denken zij aan mij; ze zullen leven bij hun kinderen, en terugkeren!-
10
ik zal hen laten terugkeren uit het land Egypte en uit Asjoer hen vergaderen; in het land van Gilead en in Libanon laat ik hen komen tot er voor hen niets meer is te vinden;
11
de zee die hen benauwt zullen ze oversteken, op zee zal ik de golven slaan en droogvallen zullen alle diepten van de Nijl; vernederd wordt dan de trots van Asjoer, en Egyptes staf zal verdwijnen;
12
heldenmoed hebben zij door de Ene, in zijn naam kunnen zij voortgaan,- is de tijding van de Ene. ••