| 4 | Zó heeft gezegd de Ene, mijn God: weid slachtschapen!-
| |
| 5 | wie hen kopen slachten hen zonder zich schuldig te maken, en wie hen verkopen zeggen: gezegend de Ene, dat ik rijk werd!- en wie hen weiden ontzien hen niet;
| |
| 6 | want ik wil de inwoners van het land niet langer ontzien, is de tijding van de Ene; zie, ik ga de mensen uitleveren, ieder in de hand van zijn naaste en in de hand van zijn koning; die zullen het land stukslaan en ik zal niemand redden uit hun hand!
| |
| 7 | Dus ben ik de slachtschapen gaan weiden voor de kooplui van kleinvee; ik nam mij twee herdersstaven; tot de ene riep ik ‘Liefelijkheid’ en tot de andere riep ik ‘Samenbinder’, en zo weidde ik de schapen;
| |
| 8 | een drietal van de herders verwijderde ik binnen één maand; mijn ziel verloor haar geduld en ook hun ziel kreeg een hekel aan mij;
| |
| 9 | ik zei: ik wil jullie niet meer weiden; laat doodgaan wat doodgaat en laat verdwijnen wat verdwijnt, en laten die dan resten elk maar het vlees van haar naaste opvreten!
| |
| 10 | Ik nam mijn staf ‘Liefelijkheid’ en brak die,- ‘om daarmee mijn verbond te verbreken dat ik had gesloten met alle gemeenschappen’,
| |
| 11 | het werd verbroken op die dag,- en zo wisten de schapenkooplui die mij bewaakten dat dit een woord van de Ene was.
| |
| 12 | Ik zei tot hen: als het goed is in uw ogen, verleent mij dan mijn loon, en zo niet, laat het! Toen wogen zij mijn loon af: dertig stukken zilver.
| |
| 13 | Dan zegt de Ene tot mij: werp dat in de schatkist, die fraaie waarde die ik door hen waard geacht ben! Ik neem de dertig stukken zilver en werp het in het huis van de Ene, in de schatkist.
| |
| 14 | Dan breek ik mijn tweede staf, de ‘Samenbinder’,- om de broederschap te verbreken tussen Juda en Israël. ••
| |
| 15 | De Ene zegt tot mij: neem je nogmaals de uitrusting van een waardeloze herder;
| |
| 16 | want zie, ik doe een herder opstaan in het land, die naar wat verdwijnt niet omziet, wat vermist wordt niet terugzoekt en wat gewond raakt niet geneest; wat stram geworden is verzorgt hij niet, nee, hij eet het vlees van wat vetgemest is op en hun hoeven rukt hij af; ••
| |
| 17 | wee die waardeloze herder die het wolvee in de steek laat, kome een zwaard over zijn arm en over zijn rechteroog!, moge zijn arm uitdrogen en indrogen en zijn rechteroog uitdoven en dof worden! ••
| |