Instellingen

4


Zó heeft gezegd de Ene, mijn God:

weid slachtschapen!-

5


wie hen kopen slachten hen
   zonder zich schuldig te maken,

en wie hen verkopen zeggen:
gezegend de Ene, dat ik rijk werd!-
en wie hen weiden
ontzien hen niet;

6


want ik wil de inwoners van het land
   niet langer ontzien,
   is de tijding van de Ene;

zie, ik ga de mensen uitleveren,
ieder in de hand van zijn naaste
   en in de hand van zijn koning;

die zullen het land stukslaan
en ik zal niemand redden uit hun hand!

7


Dus ben ik de slachtschapen gaan weiden

voor de kooplui van kleinvee;
ik nam mij
twee herdersstaven;
tot de ene
riep ik ‘Liefelijkheid’
   en tot de andere riep ik

‘Samenbinder’,
en zo weidde ik de schapen;

8


een drietal van de herders
   verwijderde ik binnen één maand;

mijn ziel verloor haar geduld
en ook hun ziel kreeg
   een hekel aan mij;

9


ik zei:

ik wil jullie niet meer weiden;
laat doodgaan wat doodgaat
en laat verdwijnen wat verdwijnt,
en laten die dan resten
elk maar het vlees van haar naaste
opvreten!

10


Ik nam mijn staf ‘Liefelijkheid’

en brak die,-
‘om daarmee mijn verbond te verbreken
dat ik had gesloten
   met alle gemeenschappen’,

11


het werd verbroken op die dag,-

en zo wisten de schapenkooplui
   die mij bewaakten

dat dit een woord van de Ene was.

12


Ik zei tot hen:

als het goed is in uw ogen,
   verleent mij dan mijn loon,
   en zo niet, laat het!

Toen wogen zij mijn loon af:
   dertig stukken zilver.

13


Dan zegt de Ene tot mij:

werp dat in de schatkist,
die fraaie waarde
die ik door hen waard geacht ben!
Ik neem de dertig stukken zilver
en werp het in het huis van de Ene,
   in de schatkist.

14


Dan breek ik mijn tweede staf,

de ‘Samenbinder’,-
om de broederschap te verbreken
tussen Juda en Israël.
••

15


De Ene zegt tot mij:

neem je nogmaals
de uitrusting van een waardeloze herder;

16


want zie, ik doe een herder opstaan
   in het land,

die naar wat verdwijnt niet omziet,
wat vermist wordt niet terugzoekt
en wat gewond raakt niet geneest;
wat stram geworden is verzorgt hij niet,
nee, hij eet
   het vlees van wat vetgemest is op

en hun hoeven rukt hij af;
••

17


wee die waardeloze herder

die het wolvee in de steek laat,
kome een zwaard over zijn arm
   en over zijn rechteroog!,

moge zijn arm uitdrogen en indrogen
en zijn rechteroog uitdoven en dof worden!
••