Dan laat hij mij zien: Jozua, de hogepriester, staande voor het aanschijn van de engel van de Ene,- en de satan,- aanklager, staande aan zijn rechterhand om hem aan te klagen.
Maar de Ene zegt tot de satan: de Ene zal je bestraffen, satan, de Ene zal je bestraffen, hij die Jeruzalem heeft uitverkoren; is deze man niet een brandhout, gered uit een vuur?
3
Jozua is gekleed geweest in besmeurde gewaden,- terwijl hij daar stond voor het aanschijn van de engel.
4
Die antwoordt en zegt tot wie voor zijn aanschijn staan, hij zegt: doet die smerige gewaden van hem af! En tot hem zegt hij: zie aan, je ongerechtigheid laat ik voorbijgaan, van jou af,- ik bekleed je met feestkleren!
5
Ik zeg: laten ze een schone tulband op zijn hoofd zetten! Dan zetten ze de schone tulband op zijn hoofd en kleden hem in schone gewaden, terwijl de engel van de Ene daar staat.
6
Dan betuigt de engel van de Ene aan Jozua en zegt:
7
zó heeft gezegd de Ene, de Omschaarde: als je mijn wegen bewandelt, en als je bewaakt wat ik bewaak, dan mag jij ook mijn huis oordelen en mijn voorhoven bewaken; ik zal aan jou toegangen geven tussen dezen die hier staan!
8
Hoor toch, hogepriester Jozua, jij en je metgezellen die voor je aanschijn zitten, want mannen van een wonderteken zijn zij, dat ik, zie, mijn dienaar doe komen, een spruit;
9
want ziehier de steen die ik aan Jozua’s verschijning geven zal: op één steen een zevental ogen; zie, ik ben de graveerder van haar graveerwerk, is de tijding van de Ene, de Omschaarde; doen wijken zal ik de ongerechtigheid van dit land in één dag;
10
op die dag, is de tijding van de Ene, de Omschaarde, zult ge ieder zijn naaste nodigen,- onder wijnstok en vijgenboom!