Instellingen

1


Dan laat hij mij zien:

Jozua, de hogepriester,
staande
voor het aanschijn van
   de engel van de Ene,-

en de satan,- aanklager,
   staande aan zijn rechterhand
   om hem aan te klagen.

2


Maar de Ene zegt tot de satan:

de Ene zal je bestraffen, satan,
de Ene zal je bestraffen,
hij die Jeruzalem heeft uitverkoren;
is deze man niet
een brandhout,
   gered uit een vuur?

3


Jozua

is gekleed geweest
   in besmeurde gewaden,-

terwijl hij daar stond
   voor het aanschijn van de engel.

4


Die antwoordt en zegt

tot wie voor zijn aanschijn staan,
   hij zegt:

doet die smerige gewaden van hem af!
En tot hem zegt hij:
zie aan, je ongerechtigheid
   laat ik voorbijgaan, van jou af,-

ik bekleed je met feestkleren!

5


Ik zeg:

laten ze een schone tulband
   op zijn hoofd zetten!

Dan zetten ze de schone tulband
   op zijn hoofd

en kleden hem in schone gewaden,
terwijl de engel van de Ene
   daar staat.

6


Dan betuigt de engel van de Ene

aan Jozua en zegt:

7


zó heeft gezegd

de Ene, de Omschaarde:
als je mijn wegen bewandelt,
   en als je bewaakt
   wat ik bewaak,

dan mag jij ook mijn huis oordelen
en mijn voorhoven bewaken;
ik zal aan jou toegangen geven
tussen dezen die hier staan!

8


Hoor toch,

hogepriester Jozua,
jij en je metgezellen die voor je aanschijn
   zitten,

want mannen van een wonderteken
   zijn zij,

dat ik, zie, mijn dienaar doe komen,
een spruit;

9


want ziehier de steen

die ik aan Jozua’s verschijning geven zal:
op één steen een zevental ogen;
zie, ik ben
de graveerder van haar graveerwerk,
is de tijding van de Ene, de Omschaarde;
doen wijken zal ik de ongerechtigheid
   van dit land
   in één dag;

10


op die dag,

is de tijding van de Ene, de Omschaarde,
zult ge ieder zijn naaste nodigen,-
onder wijnstok en vijgenboom!