Instellingen

1


Ik keer om,

ik hef mijn ogen op en zie:
ziedaar, vier wagens trekken uit
tussen de twee bergen;
de bergen zijn bergen van brons.

2


Aan de eerste wagen bloedrode paarden,-

aan de tweede wagen zwarte paarden.

3


Aan de derde wagen witte paarden,-

aan de vierde wagen
stevige gevlekte paarden.

4


Ik antwoord en zeg

tot de engel die met mij spreekt:
wat betekenen zij, mijn heer?

5


De engel antwoordt en zegt tot mij:

zij zijn
de vier windstreken van de hemel
die verschijnen
nadat zij zich hebben geposteerd
   bij de Heer van heel de aarde;

6


waaraan

de zwarte paarden zijn:
die trekken uit naar het noorderland;
de witte
zullen uittrekken achter hen aan;
de gevlekte
zullen uittrekken naar het zuiderland!

7


Als die stevigen uittrekken

hunkeren ze om te gaan
   en rond te gaan over de aarde.

Hij zegt: gaat en gaat rond
   over de aarde!

En zij gaan rond over de aarde.

8


Hij beschreeuwt mij,

hij spreekt tot mij en zegt:
zie eens,
zij die uittrekken naar het noorderland
brengen in het noorderland
   mijn Geest tot rust!

••

9


Dan geschiedt het woord van de Ene
   tot mij en zegt:

10


neem gaven aan van de ballingen,

van Cheldai,
van Tovia en Jedaja!-
zelf zul jij komen te dien dage,
komen zul je
in het huis van Josjia, zoon van Tsefanja,
waarin zij vanuit Babel aangekomen zijn;

11


aannemen zul je zilver en goud
   en daarmee kronen maken;

zetten zul je er een
op het hoofd van Johotsadaks zoon Jozua,
   de hogepriester;

12


zeggen zul je tot hem, je zegt:

zo heeft gezegd de Ene, de Omschaarde,
   zeg:

ziedaar een man,-
zijn naam is Tsemach,- spruit,
   en uit hem zal hij uitspruiten,

en hij zal de tempel van de Ene
   herbouwen;

13


hij zal herbouwen

de tempel van de Ene,
   en hij zal een sieraad dragen,-

hij mag zitten en heersen
   op zijn troon;

er zal ook een priester wezen
   op zijn troon,

en er zal een vredesberaad
   wezen tussen die twee;

14


de kroon

zal voor Chelem, Tovia, Jedaja
en voor de genade van Tsefanja’s zoon zijn,-
als aandenken in de tempel van de Ene;

15


van verre zullen ze komen

en bouwen aan de tempel van de Ene,
en weten zult ge dan
dat de Ene, de Omschaarde,
mij tot u heeft gezonden;
dat zal geschieden
als ge horende hoort
naar de stem van de Ene, uw God!
••