neem gaven aan van de ballingen, van Cheldai, van Tovia en Jedaja!- zelf zul jij komen te dien dage, komen zul je in het huis van Josjia, zoon van Tsefanja, waarin zij vanuit Babel aangekomen zijn;
11
aannemen zul je zilver en goud en daarmee kronen maken; zetten zul je er een op het hoofd van Johotsadaks zoon Jozua, de hogepriester;
12
zeggen zul je tot hem, je zegt: zo heeft gezegd de Ene, de Omschaarde, zeg: ziedaar een man,- zijn naam is Tsemach,- spruit, en uit hem zal hij uitspruiten, en hij zal de tempel van de Ene herbouwen;
13
hij zal herbouwen de tempel van de Ene, en hij zal een sieraad dragen,- hij mag zitten en heersen op zijn troon; er zal ook een priester wezen op zijn troon, en er zal een vredesberaad wezen tussen die twee;
14
de kroon zal voor Chelem, Tovia, Jedaja en voor de genade van Tsefanja’s zoon zijn,- als aandenken in de tempel van de Ene;
15
van verre zullen ze komen en bouwen aan de tempel van de Ene, en weten zult ge dan dat de Ene, de Omschaarde, mij tot u heeft gezonden; dat zal geschieden als ge horende hoort naar de stem van de Ene, uw God! ••