Instellingen

1


Het geschiedt in het vierde jaar

van koning Darjavesj,-
dat het spreken van de Ene is geschied
   aan Zacharia,

op de vierde na de negende nieuwemaan,
in Kislev.

2


Dan zendt Bet El,

met Saretser en Regem Melech mannen uit,-
om het aanschijn van de Ene te verzachten,

3


door te zeggen

tot de priesters van het huis
van de Ene, de Omschaarde,
en tot de profeten te zeggen:
moet ik in de vijfde maand
even toegewijd wenen
als ik heb gedaan
deze weet-niet-hoeveel jaren?

4


Dan geschiedt het spreken van
   de Ene, de Omschaarde,
   tot mij om te zeggen:

5


zeg tot heel de gemeenschap
   van het land

en tot de priesters, zeg: wanneer ge
   in de vijfde en de zevende,

deze zeventig jaar, gevast hebt en getreurd,
hebt ge met dat vasten voor mij gevast,
   voor mij?-

6


en wanneer ge eet en drinkt,-

zijt gij het dan niet die eet
en gij die drinkt?-

7


zijn het niet de woorden

die de Ene heeft geroepen
   door de hand van de vroegere profeten,

toen Jeruzalem een vredige nederzetting was,
met haar steden die haar omringen
   en de Negev met de Laagte
   een nederzetting was?

8


Dan geschiedt het spreken van de Ene

tot Zacharia en zegt:

9


zo heeft gezegd de Ene, de Omschaarde,
   hij zegt:

richt waarachtig recht,
bewijst ieder aan zijn broeders
vriendschap en ontferming;

10


weduwe en wees, zwerver-te-gast
   en gebogene
   zult ge niet verdrukken;

kwaad van elk tegen zijn broeders
zult ge niet in uw hart beramen!-

11


maar zij weigerden opmerkzaam te zijn

en gaven een weerspannige schouder;
hun oren hebben ze zó bezwaard
   dat ze niet hoorden;

12


hun hart

hebben ze gemaakt als diamant
tegen het horen van het onderricht
   en de woorden die de Ene, de Omschaarde,
   had gezonden door zijn Geest,

door de hand van de vroegere profeten;
zo geschiedde er grote toorn
van bij de Ene, de Omschaarde;

13


en het geschiedde zodra hij riep
   dat zij niet hoorden;

zó roepen zij nu en zal ik niet horen,
heeft gezegd de Ene, de Omschaarde;

14


ik zal hen laten verstuiven

over al die volkeren die zij niet kennen,
en het land
   zal verwoest achter hen blijven liggen,

niemand steekt ernaar over
   of keert ervan terug;

zij hebben een begeerlijk land
   tot een woestenij gemaakt!