| 1:1 | Een draaglast, een woord van de Ene tot Israël, door de hand van Maleachi,- mijn bode.* Of: engel (ook in 2,7 en 3,1).
| |
| 1:2 | Ik heb u liefgehad!- heeft de Ene gezegd, en gij hebt gezegd: waarin hebt gij ons liefgehad? Was Esau niet de broer boven Jakob?, is de tijding van de Ene, maar Jakob wilde ik liefhebben,
| |
| 1:3 | en Esau heb ik gehaat; van zijn bergen maakte ik een woestenij en van zijn erfdeel iets voor jakhalzen in een woestijn.
| |
| 1:4 | Al zegt Edom: wij zijn vernield, maar omgekeerd zullen wij puinhopen weer opbouwen!, zó heeft gezegd de Ene, de Omschaarde: als zij gaan bouwen zal ik slopen; men zal tot hen roepen ‘boosaardig gebied!’, en ‘de gemeenschap waarop de Ene vertoornd is, tot in eeuwigheid!’,
| |
| 1:5 | uw eigen ogen zullen het zien,- en gij zult zeggen: groot blijkt de Ene tot over Israëls gebiedsgrens!
| |
| 1:6 | Een zoon eert een vader en een dienaar zijn heer: als ik een Vader ben, waar is dan mijn eer, en als ik Heer ben, waar is dan de vreze voor mij?- heeft gezegd de Ene, de Omschaarde, tot u, priesters die mijn naam minachten; en gij hebt durven zeggen: waarin hebben wij dan uw naam geminacht?
| |
| 1:7 | Ge brengt op mijn altaar besmeurd brood en hebt durven zeggen: waarmee hebben wij dan u besmeurd?- terwijl ge daarmee zegt: de tafel van de Ene, die mag worden veracht!
| |
| 1:8 | Wanneer ge iets blinds brengt om te offeren, is dat geen kwaad?, en wanneer ge een kreupel of ziek dier brengt, is dat geen kwaad?- nader daarmee eens tot je stadhouder, zal hij behagen in je hebben of je aanschijn verheffen?- heeft gezegd de Ene, de Omschaarde.
| |
| 1:9 | Nu dan, zoekt toch de zachtheid van Gods aanschijn, dat hij ons genadig zijn zal; door uw hand is dit geschied, zal hij bij een van u een aanschijn opheffen?, heeft gezegd de Ene, de Omschaarde.
| |
| 1:10 | Als iemand onder u nu eens de deuren sloot, dan zoudt ge mijn altaar niet vergeefs in lichterlaaie zetten; ik heb geen welgevallen in u,- heeft gezegd de Ene, de Omschaarde, en een broodgift uit uw hand behaagt mij niet;
| |
| 1:11 | want van het gloren van de zon tot waar hij aankomt is mijn zonnige naam groot onder de volkeren, en in elk oord is hij bewierookt en wordt een reine broodgift aan mijn naam gebracht; ja, zo groot is mijn naam onder de volkeren, heeft gezegd de Ene, de Omschaarde;
| |
| 1:12 | maar gij ontheiligt hem,- wanneer ge zegt: de tafel van de Heer, die mag besmeurd zijn, en zijn opbrengst, zijn eten mag geminacht worden!
| |
| 1:13 | Ge hebt gezegd: zie, wat een moeite, en ge hebt hem weggeblazen, heeft de Ene, de Omschaarde, gezegd; ge zijt gekomen met het geroofde, het kreupele en het zieke, en ge zijt gekomen met de broodgift; moet die mij behagen uit uw hand?, heeft gezegd de Ene. ••
| |
| 1:14 | Vervloekt is wie arglistig is: er is in zijn kudde een mannetje, hij doet een gelofte en offert aan de Heer iets mislukts; want een groot koning ben ik, heeft gezegd de Ene, de Omschaarde, en mijn naam is onder de volkeren gevreesd!
| |
| 2:1 | En nu dan tot u dit gebod, o priesters!
| |
| 2:2 | Als ge niet hoort, als ge het u niet op het hart bindt om eer te geven aan mijn naam, heeft gezegd de Ene, de Omschaarde, zend ik onder u de vervloeking en maak ik uw zegeningen tot vloek; ja, ik zal ze tot vloek maken wanneer niemand van u ze op het hart bindt!-
| |
| 2:3 | zie, ik hak u uw sterke arm af en zal stront in uw aanschijn strooien, de stront van uw feesten; zo zult ge uw schande dragen;
| |
| 2:4 | weten zult ge dan dat ik dit gebod tot u heb gezonden,- om mijn verbond met Levi te laten herleven, heeft gezegd de Ene, de Omschaarde.
| |
| 2:5 | Mijn verbond is met hem geweest: het leven en de vrede; en die gaf ik hem, en vreze, en hij vreesde mij; voor het aanschijn van mijn naam heeft hij gebeefd, hij.
| |
| 2:6 | Waarachtig onderricht is in zijn mond geweest, en geen valsheid is op zijn lippen gevonden; in vrede en oprechtheid is hij met mij voortgegaan en velen heeft hij laten terugkeren van ongerechtigheid.
| |
| 2:7 | Want de lippen van een priester moeten kennis bewaren, en onderricht zoeken ze uit zijn mond; want een bode van de Ene, de Omschaarde, is hij.
| |
| 2:8 | Maar gij zijt van die weg afgeweken, hebt door het onderricht velen laten struikelen; ge hebt het verbond met Levi bedorven,- heeft gezegd de Ene, de Omschaarde.
| |
| 2:9 | Dus heb ik u veracht en vernederd, prijsgegeven aan heel de gemeenschap,- juist zoals gij niet mijn wegen hebt bewaard en het aanschijn niet hebt opgeheven bij het onderricht! •
| |
| 2:10 | Hebben wij niet allen één vader, heeft niet één God ons geschapen? Waarom trachten we ieder zijn broeder te verraden en ontwijden wij het verbond van onze vaderen?
| |
| 2:11 | Juda heeft verraad gepleegd, een gruweldaad is begaan in Israël en in Jeruzalem,- want ontwijd heeft Juda het heiligdom van de Ene, dat hij liefheeft, en hij heeft de dochter van een uitheemse godheid gehuwd.
| |
| 2:12 | Wegmaaien zal de Ene die dat doet, getuige en beantwoorder, uit de tenten van Jakob,- ook als hij een broodgift brengt aan de Ene, de Omschaarde. •
| |
| 2:13 | En dit is het tweede dat ge moet doen: het altaar van de Ene overdekken met tranen, met geween en gesteun,- omdat er niet langer een toewenden is naar de broodgift en aannemen in welbehagen uit uw hand.
| |
| 2:14 | Gij zult zeggen: waarom? Omdat de Ene getuige is geweest tussen jou en de vrouw van je jeugd, dat jij haar hebt verraden, terwijl zij je gezellin is en de vrouw van je verbond.
| |
| 2:15 | Heeft hij hen niet één gemaakt, een vlees-en-bloed met geest erin?, en wat zoekt dat ene? Zaad van God!- weest dan waakzaam over uw geest en verraad niet de vrouw van je jeugd.
| |
| 2:16 | Want hij háát een heenzending, heeft gezegd de Ene, Israëls God, en dat men zijn kleding overdekt met geweld, heeft gezegd de Ene, de Omschaarde; weest dan waakzaam over uw geest en pleegt geen verraad! ••
| |