Instellingen

1


Zie, ik zend mijn bode

die voor mijn aanschijn
   een weg bereiden zal;

plotseling zal hij zijn tempel
   binnenkomen,
   de Heer die gij zoekt,

de bode van het verbond
   in wie gij behagen hebt:
   zie, hij komt!,

heeft gezegd de Ene, de Omschaarde.

2


Maar wie kan de dag van zijn komen áán,

en wie blijft staande
   als hij zich laat zien?-

want hij is als het vuur van de smelter
en als de loog van de blekers.

3


Hij zal zich neerzetten
   als wie zilver smelt en reinigt,

hij zal de zonen van Levi reinigen
   en hen louteren

als goud en als zilver;
worden zullen zij voor de Ene
brengers van een broodgift in gerechtigheid.

4


Een broodgift van Juda en Jeruzalem

zal voor de Ene aangenaam zijn,-
als in de dagen van eeuwig
en in voorliggende jaren.

5


Naderen zal ik tot u ten gerichte

en wezen zal ik een haastige getuige
tegen de gifmengers en vreemdgangers,
en tegen wie bedrieglijk zweren;
tegen de verdrukkers
   van een huurloon-huurling,
   een weduwe en een wees,
   en tegen wie een zwerver-te-gast
   opzij dringen en mij niet vrezen,
   heeft gezegd de Ene, de Omschaarde.

6


Want ik, de Ene, ben niet veranderd,-

en gij, zonen van Jakob,
   zijt ook niet opgehouden:

7


al sinds de dagen van uw vaderen
   zijt ge van mijn inzettingen afgeweken
   en hebt ge ze niet bewaakt;

keert terug tot mij
   en ik zal terugkeren tot u!,

heeft gezegd de Ene, de Omschaarde;
en zeggen zult ge:
   waarmee zullen we terugkeren?

8


Mag een mens God bestelen?-

want gíj besteelt míj!
Maar zeggen zult ge:
   waarmee bestelen wij u?

De tiende en de heffing!

9


Met de vervloeking zijt gij vervloekt,

mij besteelt gij,-
het volk in zijn geheel.

10


Komt met elke tiende
   in het voorraadhuis,

dan is er wat te verteren in mijn huis;
   en toetst mij toch daarmee,

heeft gezegd de Ene, de Omschaarde,-
of ik dan niet voor u open
de sluizen van de hemel,
en zegen over u zal uitstorten
   tot het niet meer te bergen is!

11


Ik zal voor u de kaalvreter bedreigen,

zodat hij voor u
   de vrucht van de –rode– grond
   niet meer verderft,-

en voor u de wijnstok op het veld
   niet onvruchtbaar maakt,

heeft gezegd de Ene, de Omschaarde.

12


Alle volkeren zullen u zaligprijzen,-

omdat ge een land van welbehagen wordt,
heeft gezegd de Ene, de Omschaarde.
••

13


Uw uitspraken
   zijn tegen mij te sterk geworden,

en dan zegt gij:
wát hebben wij tegen u uitgesproken?

14


En gij hebt gezegd:

het is tevergeefs om God te dienen!-
wat baat het
dat wij hebben bewaard
   wat hij te bewaren geeft

en dat wij in het zwart gegaan zijn
voor het aanschijn van
de Ene, de Omschaarde?-

15


dus nu

prijzen wij overmoedigen zalig:
ook wie boze daden doen
   worden opgebouwd,

ook wie God hebben beproefd
   zullen ontkomen!

16


Toen hebben

wie de Ene vrezen
   ieder met zijn naaste besproken:

de Ene zal het opmerken en horen,
en er zal een boekrol ter gedachtenis
   geschreven worden voor zijn aanschijn,

over wie de Ene vrezen
en over wie rekenen met zijn naam!

17


Zij zullen voor mij worden,

heeft gezegd de Ene, de Omschaarde,
op de dag die ik maak: een kostbaarheid;
en ik zal hen sparen,
zoals iemand zijn zoon spaart
die hem dient!

18


Omgekeerd zult gij verschil zien

tussen rechtvaardige en boosdoener,-
tussen wie God dient
en wie hem niet dient!
••

19


Want zie, die dag is komend,* In veel vertalingen begint hier een hoofdstuk 4 van zes verzen.

brandend als een oven;
   worden zullen alle overmoedigen
   en alle bedrijvers van boosaardigheid
   tot een stoppelveld

en hij zal hen verzengen, de dag die komt,
heeft gezegd de Ene,
die van hen geen wortel en tak
   zal overlaten.

20


Maar gloren zal
   voor u die mijn naam vreest
   de zonne der gerechtigheid,

met geneeskracht onder haar vleugels,-
en uittrekken zult ge en dartelen
als kalveren net van stal.

21


Ge zult boosdoeners vertrappen,

want as zullen ze worden
onder de holten van uw voeten,-
op de dag die ik maak,
heeft gezegd de Ene, de Omschaarde.

22


Gedenkt

het onderricht van Mozes, mijn dienaar,-
dat ik hem heb geboden
   bij de Horeb, voor heel Israël,

inzettingen en rechtsregels.

23


Zie, ik zend u

Elia, de profeet,-
vóórdat komt de dag van de Ene,
die grote en vreeswekkende;

24

bekeren zal hij
   het hart van vaders tot zonen

en het hart van zonen tot hun vaders,-
anders moet ik komen
en het land slaan met een banvloek!