Instellingen

1


Psalm 101 (100) • Misericordiam et iudicium. (v. David,

een musiceerstuk.)

Ik ga zingen van vriendschap en recht, ✡
voor u, Ene, maak ik muziek!

2


Ik zal acht slaan op een weg die gaaf is,

wanneer komt gij tot mij?- ✡
ik wil wandelen
in de gaafheid van mijn hart,
in het binnenst van mijn huis.

3


Nooit zet ik tegenover mijn ogen

een woord van Belial,-
het doen van afvalligen
heb ik altijd gehaat, ✡
op mij heeft het geen vat.

4


Laat een vals hart van mij wijken, ✡

kwaad
wil ik niet kennen.

5


Wie heimelijk lastert over zijn naaste,
   hem laat ik zwijgen!-

hovaardige ogen en een gezwollen hart, ✡
dat
kan ik niet uitstaan!

6


Mijn ogen zijn in dit land bij de getrouwen,
   dat die bij mij willen zitten,-
   een die wandelt op een weg die gaaf is, ✡

hij
mag bij mij dienstdoen.

7


Nooit zal zetelen
   in het binnenst van mijn huis
   een dader van bedrog,

een spreker van leugens; ✡
hij wordt niet bevestigd
in het tegenover van mijn ogen.

8


In de ochtenden

breng ik tot zwijgen
alle boosdoeners in dit land,- ✡
zal ik uitsnijden uit de stad van de Ene
alle bedrijvers van onheil!