Kom met uw dienaar niet in ’t gericht, ✡ want niemand die leeft is voor uw aanschijn rechtvaardig!
3
Want een vijand heeft mijn ziel achtervolgd, ter aarde vertrapt mijn leven, ✡ mij doen zitten in duistere oorden, gelijk de doden van eeuwig.
4
Mijn geest overstelpte mij, ✡ mijn hart verstarde binnen in mij.
5
Ik bleef gedenken dagen van vroeger, ik spelde al uw werken, ✡ de daden van uw handen overpeinsde ik.
6
Tot u hield ik mijn handen gespreid, ✡ mijn ziel ligt als een uitgeput land voor u. sela
7
Haast u, Ene, geef mij antwoord, mijn geest is ten einde; verberg voor mij niet uw aanschijn, ✡ ik ben gaan lijken op wie gedaald zijn in een put!
8
Doe in de ochtend uw vriendschap mij horen, want ik zoek mijn veiligheid bij u!- doe mij weten de weg die ik gaan kan, ✡ want mijn ziel heb ik opgeheven tot u!
9
Aan mijn vijanden, Ene, ontruk mij, ✡ want bij u heb ik mij verscholen!
10
Leer mij om uw behagen te doen, want God over mij zijt gij!- uw Geest is goed; ✡ moge die mij geleiden in een effen land.
11
Om uws naams wil, Ene, doe mij leven, ✡ gij die rechtvaardig zijt, gun mijn ziel uittocht uit benauwing!
12
Gij zijt mijn vriend, doe mijn vijanden teniet,- laat al wie mijn ziel benauwen teloorgaan, ✡ want ik ben uw dienaar!