| 1 | Psalm 35 (34) • Iudica, Domine. (v. David.)
Ding af, Ene, op wie dingen tegen mij, ✡ voer strijd met mijn bestrijders.
| |
| 2 | Grijp schild en lijfscherm, ✡ sta op, kom mij te hulp!
| |
| 3 | Trek speer en bijl, mijn achtervolgers tegemoet, ✡ zeg tot mijn ziel: jouw redding, dat ben ik!
| |
| 4 | Dat worden beschaamd en te schande de zoekers van mijn ziel, dat terugdeinzen en worden ontgoocheld ✡ de beramers van mijn kwaad!
| |
| 5 | Dat ze worden als kaf voor het aanschijn van de wind, ✡ wanneer de engel van de Ene hen aanstoot;
| |
| 6 | worde hun weg duister en glibber,- ✡ wanneer de engel van de Ene hen achtervolgt!
| |
| 7 | Want om niets verborgen zij mij hun net ✡ en om niets groeven ze een beerput voor mijn ziel.
| |
| 8 | Overkome hem rampspoed nooit geweten en vange het net dat hij verborg hemzelf, ✡ in rampspoed valle hij daarin!
| |
| 9 | En moge mijn ziel juichen om de Ene, ✡ vrolijk zijn om redding door hem!
| |
| 10 | Al mijn beenderen zullen zeggen: ‘Ene, wie is u gelijk!’, die een gebogene ontrukt aan één sterker dan hij, ✡ een gebukte, een arme aan zijn berover.
| |
| 11 | Daar staan op: getuigen van geweld, ✡ wat ik niet weet, dat vragen die van mij!
| |
| 12 | Ze vergelden goed met kwaad, ✡ beramen de beroving van mijn ziel.
| |
| 13 | Zelf had ik, toen zij ziek waren, als mijn kleed een zak, vernederde met vasten mijn ziel, ✡ mijn gebed ging in mijn boezem tekeer,
| |
| 14 | als om een gezel, als om een broer van mij ging ik rond, ✡ als rouwend om een moeder, ineengedoken in het zwart.
| |
| 15 | Maar toen ik struikelde waren ze verheugd en kwamen samen, verzamelden zich tegen mij al slaande, en ik wist van niets, ✡ verscheurden mij met hun monden, en zwegen niet!
| |
| 16 | Met grove grappen mij bespottend ✡ knarsten ze hun tanden tegen mij.
| |
| 17 | Heer-over-mij, hoelang zul je het aanzien?- berg mijn ziel voor hun vernielzucht, ✡ voor die leeuwenwelpen het Ene dat ik heb!
| |
| 18 | Ik zal u danken in een vergadering van velen, ✡ in een manschap krachtig zal ik u loven!
| |
| 19 | Dat zich niet over mij verheugen die mijn vijand zijn uit leugen, ✡ noch knipogen die mij haten om niets!
| |
| 20 | Want wat ze bespreken tegen stillen in den lande, is geen vrede, ✡ zij beramen woorden vol bedrog.
| |
| 21 | Wijd open sperren ze tegen mij hun mond en zeggen: ‘ha-ha!- ✡ nu heeft ons oog het zelf gezien!’
| |
| 22 | Gezien hebt gij, Ene,- blijf niet zwijgen, ✡ Heer-over-mij, houd u voor mij niet ver!
| |
| 23 | Ontwaak, word wakker voor mijn rechtszaak, ✡ mijn God en Heer!- voor mijn geding!
| |
| 24 | Richt mij, rechtvaardig als gij zijt, Ene mijn God, ✡ dat ze zich niet over mij verheugen!-
| |
| 25 | laat ze niet zeggen in hun hart: ‘ha!- onze ziel…’ ✡ laat ze niet zeggen: ‘wij hebben hem verslonden!’
| |
| 26 | Dat worden beschaamd en ontgoocheld tezamen die zich verheugden om mijn kwaad!- worden bekleed met schaamte en schande, ✡ die zo groot doen over mij!
| |
| 27 | Dat juichen en zich verheugen wie mijn rechtvaardiging behaagt, dat ze voortdurend zeggen: ‘groot is de Ene, ✡ die welbehagen heeft in vrede voor zijn dienaar!’
| |
| 28 | Dan spelt mijn tong uw gerechtigheid, ✡ de ganse dag uw lof!
| |