Instellingen

1


Psalm 73 (72) • Quam bonus Israel! (Een musiceerstuk,

v. Asaf.)

Echt, God is voor Israël goed, ✡
voor de louteren van hart!

2


Maar ik,-

mijn voeten waren het spoor haast bijster, ✡
bijna waren
mijn schreden nergens meer geweest!

3


Want ik was afgunstig op de dwazen ✡

toen ik zag de vrede van bozen!

4


Want voor hen geen banden ten dode, ✡

hun tors is weldoorvoed.

5


Lijdt een mensje moeite, zij niet, ✡

zij worden niet
met Adam samen geplaagd.

6


Daarom hangt verwaandheid om hun nek, ✡

is geweld de dracht
die hen bedekt.

7


Uit vet puilen hun ogen, ✡

alle voorstellingen van een hart
zijn zij voorbij.

8


Ze honen, hun praat is kwaadaardig, ✡

vanuit hun hoogte is afpersing hun praat!

9


Ze zetten hun mond neer in de hemel, ✡

hun tong
gaat rond over de aarde.

10


Daarom brengt aan hen
   hun manschap schatting ✡

en wordt water in volheid
opgeslurpt door hen.

11


Zij zeggen:

‘hoe zou God het weten, ✡
heeft een Allerhoogste ergens weet van?’

12


Zie, dat zijn bozen: ✡

tevreden voor eeuwig,
hebben een vermogen vermenigvuldigd.

13


Ach, vergeefs hield ik zuiver mijn hart, ✡

heb ik mijn handen gewassen in onschuld!-

14


werd ik een geplaagde heel de dag, ✡

in de ochtenden
gekastijd!

15


Maar als ik zou zeggen:
   ‘voortaan vertel ik het zo,’ ✡

zie, dan verraadde ik
   de generatie van je zonen!

16


Hoe ik ook nadacht om dat te verstaan, ✡

het bleef ellende in mijn ogen;

17


totdat ik kwam in het heiligdom van God ✡

en acht sloeg
op hun einde.

18


Immers, gij zet hen neer waar het glad is, ✡

hebt hen laten vervallen
tot ruines.

19


Welk een ontzetting
   zijn ze in een oogwenk geworden, ✡

verdwenen,
aan verschrikkingen vergaan!

20


Zoals een droom bij het ontwaken,- ✡

zult gij, Heer, eenmaal wakker,
   hun beeltenis niet achten!

21


Toen mijn hart verzuurde ✡

en het mij stak
tot in mijn nieren,

22


was ik een dwaas en een weetniet, ✡

werd ik in uw bijzijn
een beest;

23


en toch was ik gedurig bij u, ✡

gij hield mij
bij mijn rechterhand.

24


Gij leidt mij volgens uw raad, ✡

in het einde
neemt gij mij op in glorie.

25


Wie heb ik anders in de hemel?- ✡

ik ben bij u,-
verlang niets op de aarde!

26


Bezwijkt ook mijn vlees

en mijn hart:
   de rots van mijn hart en mijn deel ✡

is God voor eeuwig.

27


Want zie, wie ver van u zijn, vergaan, ✡

uitroeien zult gij
al wie van u afhoereert.

28


En ik: nabij God te zijn

is mij goed, ik heb als mijn toevlucht gesteld
   mijn Heer, de Ene, ✡

om te vertellen
al uw werken!