Instellingen

1


Een spotter is de wijn,

een lawaaischopper is sterke drank,-
en al wie daarmee verdwaalt
wordt nooit wijs.

2


Als het grommen van een leeuwenwelp
   is de schrik die van een koning uitgaat,-

wie zich die op de hals haalt
zondigt tegen zijn ziel.

3


Het is glorie voor een man
   buiten een geding te blijven,-

maar elke dwaas
breekt los.

4


Ploegt een luiaard niet in de herfst,-

vraagt hij in de zomeroogst om iets,
   dan is het er niet.

5


Uit diep water bestaat het beraad
   in het hart van een man,-

maar iemand die goed verstaat
   weet het te putten.

6


Veel mensenvolk

noemt iemand zijn vriend,-
maar een man van trouw,
wie zal die vinden?

7


Een rechtvaardige wandelt in zijn gaafheid:

zalig zijn zonen ná hem!

8


Een koning

die zetelt op de troon van het oordeel,-
haalt alleen al met zijn ogen
   alle kwaad door de zeef.

9


Wie zal kunnen zeggen:
   ik heb mijn hart gezuiverd,-

ik ben gereinigd
van mijn zonde?

10


Weegsteen naast weegsteen en efa naast efa:

een gruwel voor de Ene
zijn ze allebei.

11


Reeds een jongen is te herkennen
   aan zijn handelingen,-

of zijn werk zuiver is en of het recht is.

12


Een oor dat hoort en een oog dat ziet,-

de Ene
heeft die beide gemaakt.

13


Heb de slaap niet lief, anders verarm je,-

houd je ogen open en verzadig je aan brood.

14


Slecht, slecht!, zegt de koper,-

maar verdwijnt hij ermee,
dán pocht hij erop.

15


Al heeft iemand goud
   en een menigte bloedkoralen,-

het kostbaarste kleinood zijn
lippen met kennis.

16


‘Neem zijn gewaad af,
   want hij stond borg voor een vreemde,-

ter wille van vreemdelingen
   mag je het verpanden!’

17


Zoet smaakt voor iemand
   het brood van bedrog,-

maar later
blijkt zijn mond gevuld met steentjes.

18


Plannen komen tot stand door beraad,-

voer oorlog
met overleg.

19


Geheimen onthult hij
   die roddelend rondgaat,-

met zo’n loslippige
moet je je niet inlaten.

20


Wie zijn vader en moeder verwenst,-

diens lamp wordt gedoofd
op het ogenblik dat het donker wordt.

21


Een erfdeel dat eerst bijeengeveegd is,-

zal later
niet worden gezegend.

22


Zeg niet: ‘ik ga dat kwaad vergelden!’-

hoop op de Ene,
hij komt je redden.

23


Een gruwel voor de Ene
   is weegsteen naast weegsteen,-

een bedrieglijke weegschaal is niet goed.

24


Van de Ene
   komen de schreden van een kerel,-

een mens dan,
hoe zal die zijn weg verstaan?

25


Een valstrik voor een mens is het
   iets als heilig te bestempelen,-

en pas later beloften in ochtendlicht te zien.

26


Een wijs koning
   haalt boosdoeners door de zeef,-

en brengt hun onrecht over hen terug.

27


Een lamp van de Ene
   is de levensadem van een mens,-

alle binnenkamers van de buik
speurt hij na.

28


Vriendschap en trouw bewaren een koning,-

hij schraagt met vriendschap zijn troon.

29


De luister van jongelingen is hun kracht,-

de pracht van ouderen is grijs haar.

30


Striemen en een wond
   poetst kwaad weg,-

zo de slagen
op de binnenkamers van de buik.