Woorden van Agoer, zoon van Jakee de Masaïet, tijding van deze kerel aan Itiël,- met mij is God aan Itiël en Oechal,- met mij is God en ik kan het aan,
‘hoewel ik een rund ben en geen mens,- en ik geen mensenverstand heb,
3
en ik geen wijsheid heb geleerd,- zodat ik kennis van heilige zaken zou kennen.’
4
Wie is ten hemel opgeklommen en weer neergedaald, wie heeft wind verzameld in zijn vuisten, wie heeft wateren bijeengebonden in een mantel, wie heeft alle einden der aarde doen opstaan?- wat zijn naam is en wat de naam van zijn zoon is, wie weet dat?
5
Al wat God zegt is gelouterd,- een schild is hij voor wie schuilen bij hem.
6
Voeg aan zijn woorden niets toe,- anders moet hij je bestraffen en zul je een leugenaar blijken! •