Instellingen

1


mijn zoon,

wees opmerkzaam op mijn wijsheid,-
leen aan mijn goed-verstaan
je oor;

2


waak over bezonkenheid,-

en kennis,
mogen je lippen die bewaren!-

3


want honingzeem druipt
   van de lippen van een vreemde vrouw,-

en gladder dan olie is haar gehemelte,

4


maar op het laatst is zij bitter als alsem,-

scherp
als een tweesnijdend zwaard;

5


haar voeten dalen neer naar de dood,-

ter helle
koersen haar schreden;

6


het pad ten leven zou zij anders inslaan,-

maar verdoold zijn haar voetsporen,
en zij weet het niet!-