Instellingen

1


Mijn zoon,

als je borg bent geworden voor je naaste,-
voor wie je vreemd is
   je handen ineen hebt geslagen,

2


als je verstrikt bent
   in het woord van je lippen,-

gevangen bent
in de toezeggingen van je mond,

3


doe dan toch dít, mijn zoon,

en red je,
nu je in de holle hand van je naaste
   terecht bent gekomen:

ga heen, geef het niet op,
en bestorm je naaste;

4


gun geen slaap aan je ogen,-

of sluimering
aan je wimpers;

5


red je, als een gazelle
   uit de hand van een jager,-

als een vogel
uit de greep van een strik!

6


Ga tot de mier, luiaard,-

zie haar wegen aan en word wijs:

7


zij die geen aanvoerder heeft,
   beambte of heerser,

8


bereidt in de zomer haar brood,-

slaat in de oogsttijd
haar eten op;

9


tot wanneer, luiaard, blijf jij neerliggen,-

wanneer wil je opstaan uit je slaap?-

10


een beetje slapen, een beetje sluimeren,-

een beetje
de handen over elkaar en nog even liggen:

11


als een snelle loper komt dan je armoede,-

je tekort als een man met een schild!