Instellingen

1


Mijn zoon,

als je borg bent geworden voor je naaste,-
voor wie je vreemd is
   je handen ineen hebt geslagen,

2


als je verstrikt bent
   in het woord van je lippen,-

gevangen bent
in de toezeggingen van je mond,

3


doe dan toch dít, mijn zoon,

en red je,
nu je in de holle hand van je naaste
   terecht bent gekomen:

ga heen, geef het niet op,
en bestorm je naaste;

4


gun geen slaap aan je ogen,-

of sluimering
aan je wimpers;

5


red je, als een gazelle
   uit de hand van een jager,-

als een vogel
uit de greep van een strik!

6


Ga tot de mier, luiaard,-

zie haar wegen aan en word wijs:

7


zij die geen aanvoerder heeft,
   beambte of heerser,

8


bereidt in de zomer haar brood,-

slaat in de oogsttijd
haar eten op;

9


tot wanneer, luiaard, blijf jij neerliggen,-

wanneer wil je opstaan uit je slaap?-

10


een beetje slapen, een beetje sluimeren,-

een beetje
de handen over elkaar en nog even liggen:

11


als een snelle loper komt dan je armoede,-

je tekort als een man met een schild!

12


Een Belialsmens, een man van onheil,-

is hij die rondgaat
met verwrongen mond,

13


knijpend met zijn ogen,

schuifelend met zijn voeten,
wijzend
met zijn vingers;

14


draaierijen vullen zijn hart,

elk moment smeedt hij kwaad,-
twisten zendt hij uit;

15


daarom

komt plotsklaps zijn verderf,-
ineens wordt hij gebroken,
geen genezing meer mogelijk!

16


Deze zes zaken háát de Ene,-

zeven zijn
een gruwel voor zijn ziel:

17


ogen die zich verheffen, een tong vol leugen,-

twee handen
die onschuldig bloed vergieten,

18


een hart

dat heilloze plannen smeedt,-
voeten die zich haasten
om op het kwaad af te rennen,

19


een leugens uitblazende valse getuige,-

en wie tussen broeders
twisten uitzendt!

20


Bewaar, mijn zoon, het gebod van je vader,-

en verwerp nooit
het onderricht van je moeder;

21


bind ze bestendig op je hart,-

hang ze
om je hals:

22


als je rondgaat
   zal het je geleiden,

als je neerligt zal het over je waken,
als je wakker wordt
zal het tot je gewagen;

23


want een gebod is een lamp
   en een licht is een onderrichting,-

een weg ten leven
zijn bestraffingen en vermaan,

24


om je te bewaken
   tegen een vrouw vol kwaad,-

tegen de gladheid
van de tong van een uitheemse;

25


jij met je hart, begeer nooit haar schoonheid,-

laat zij jou niet innemen
met die wimpers van haar!-

26


want het verlangen van een hoer

gaat uit naar een bol brood,
   maar andermans vrouw,-

jaagt op een kostbare ziel!

27


Kan een man vuur halen

in zijn boezemplooi,-
zullen dan zijn gewaden
niet in brand vliegen?-

28


als een man over de gloeiende kolen loopt,-

zal hij dan zijn voeten niet schroeien?-

29



wie binnenkomt
   bij de vrouw van zijn naaste,-

want niet ongestraft blijft
al wie haar durft aan te raken!-

30


ze verachten een dief niet wanneer hij steelt,-

om zijn lege keel te vullen
wanneer hij honger lijdt;