Instellingen

1


Er was eens een man

in het land Oets, Job genaamd,
en die man was
volmaakt en oprecht,
   godvrezend en wars van kwaad.

2


Hem worden geboren
   zeven zonen en drie dochters,

3


en zijn bezit beloopt
   zevenduizend stuks kleinvee,
   en drieduizend kamelen,

vijfhonderd span rundvee
   en vijfhonderd ezelinnen,

en zeer veel dienstvolk;
zo wordt die man
groter dan alle zonen van het oosten.

4


Rondgaand richtten zijn zonen
   een feestdronk aan,

in ieders huis op zijn dag;
dan zonden zij bericht
en riepen zij hun drie zusters op
om bij hen te eten en te drinken.

5


En het was zo:

wanneer de dagen van de feestdronk
   waren omgegaan
   zond Job bericht en heiligde hij hen:

in de ochtend rechtte hij zijn schouders
   en deed opgangsgaven opgaan
   naar hun aller getal,

want, zei Job,
misschien hebben mijn zonen gezondigd
en in hun hart God vaarwel gezegend!
Zo deed Job al die dagen.

6


Het geschiedt op een dag

dat de zonen van God zich komen
opstellen voor de Ene;
onder hen komt ook de satan aan.

7


De Ene zegt tot de satan:
   waar kom jij vandaan?,

en de satan antwoordt de Ene en zegt:
van een zwerftocht over de aarde,
van heen-en-weergaan daarover!

8


De Ene zegt tot de satan:

heb je je hart wel gezet op mijn dienaar Job?-
want er is niemand als hij op de aarde,
een man die volmaakt en oprecht is,
   godvrezend en wars van kwaad!

9


De satan antwoordt de Ene en zegt:

is het ‘om niet’
dat Job godvrezend is?-

10


heb je niet zelf een omtuining gemaakt
   om hem,
   om zijn huis en om al het zijne rondom?-

het werk van zijn handen heb je gezegend
en zijn bezit is in menigte uitgebroken
   over de aarde!-

11


strek daarentegen je hand toch eens uit

en tast al het zijne aan:
of hij je dan niet in je gezicht
   vaarwel zal zegenen!

12


Dan zegt de Ene tot de satan:

ziehier, al het zijne is in je hand;
alleen naar hemzelf
mag je je hand niet uitstrekken!
Dan gaat de satan weg
van het aanschijn van de Ene.

13


Het geschiedt op een dag:

terwijl zijn zonen en dochters eten
   en wijn drinken

in het huis van hun eerstgeboren broer,

14


komt er een bode aan bij Job en zegt:

de runderen waren aan het ploegen
en de ezelinnen weidden
   een handbreedte naast hen,

15


toen viel Sjeva binnen en nam ze mee;

en de jongens hebben ze geslagen
   met de bek van het zwaard;

ik ben ontsnapt, alleen ik in mijn eentje,
   om u dit te melden!

16


Terwijl deze nog spreekt

komt de volgende al aan en zegt:
vuur van God
is uit de hemel gevallen,
brandde bij de schapen en de jongens
   en heeft hen verteerd;

ik ben ontsnapt, alleen ik in mijn eentje,
   om u dit te melden!

17


Terwijl deze nog spreekt

komt de volgende al aan en zegt:
Kasdiem
stelden drie kopgroepen samen,
verspreidden zich over de kamelen
   en namen ze mee;

en de jongens hebben ze geslagen
   met de bek van het zwaard;

ik ben ontsnapt, alleen ik in mijn eentje,
   om u dit te melden!

18


Terwijl deze nog spreekt

komt de volgende al aan en zegt:
uw zonen en uw dochters aten
   en dronken wijn

in het huis van hun eerstgeboren broer,

19


en zie, een grote stormwind
   kwam van de overzij van de woestijn

en greep het huis bij de vier hoeken;
het viel op de jongelui en zij stierven;
ik ben ontsnapt, alleen ik in mijn eentje
   om u dit te melden!

20


Job staat op, scheurt zijn overkleed in

en scheert zijn hoofdhaar af;
hij valt ter aarde en onderwerpt zich.

21


Hij zegt:
   naakt trok ik weg
   uit de schoot van mijn moeder

en naakt keer ik daarheen terug;
de Ene heeft gegeven,
de Ene heeft genomen,
de naam van de Ene zij gezegend!

22


In dit alles zondigde Job niet

en schreef hij God niets ongerijmds toe.