| 1 | Dan antwoordt Job de Ene en zegt:
| |
| 2 | ik erken dat gij alles vermoogt,- en geen plan voor u onuitvoerbaar is.
| |
| 3 | ‘Wie is dat die mijn raad verduistert zonder iets te weten?’ Daarom heb ik gemeld wat ik niet begreep,- dingen te wonderlijk voor mij waarvan ik niets wist.
| |
| 4 | ‘Hoor toch, dan zal ik spreken,- ik zal je vragen stellen en laat jij dan mij alles weten!’
| |
| 5 | Van horen zeggen had ik van u gehoord,- maar nu heeft mijn oog u aanschouwd.
| |
| 6 | Daarom herroep ik en heb ik berouw,- hier op stof en as! •
| |
| 7 | En het geschiedt nadat de Ene deze woorden tot Job heeft gesproken,- dat de Ene zegt tot Elifaz de Temaniet: ontgloeid is mijn toorn tegen u en uw twee metgezellen, omdat ge niet recht van mij gesproken hebt, zoals mijn dienaar Job!
| |
| 8 | Nu dan, neemt u zeven varren en zeven rammen, gaat daarmee naar mijn dienaar Job en laat ze opklimmen als opgangsgave voor uzelf; en Job, mijn dienaar, moge voor u bidden,- want zijn aanschijn zal ik opheffen zonder met u te doen naar de dwaasheid dat ge niet recht van mij gesproken hebt, zoals mijn dienaar Job!
| |
| 9 | Dan gaan ze, Elifaz de Temaniet, Bildad de Sjoechiet en Tsofar de Naämatiet, en doen zoals de Ene tot hen heeft gesproken,- en verheft de Ene het aanschijn van Job.
| |
| 10 | Nadat de Ene een kéér gebracht heeft in de kerkering van Job, terwijl hij bidt voor zijn metgezellen,- vermeerdert de Ene al wat Job heeft tot het dubbele.
| |
| 11 | Dan komen tot hem al zijn broers en al zijn zussen, en al zijn bekenden van voorheen; zij eten met hem het brood in zijn huis, schudden het hoofd bij hem en troosten hem over al het kwaad dat de Ene over hem heeft doen komen; ze geven hem per man één kesita en per man één ring van goud.
| |
| 12 | De Ene heeft het laatste van Job meer gezegend dan zijn begin; hem gewordt veertienduizend stuks wolvee, zes duizendtallen kamelen, duizend juk rundvee en duizend ezelinnen.
| |
| 13 | Hem gewordt een zevental zonen, en een drietal dochters.
| |
| 14 | Hij roept als naam van de eerste uit: Duifje, als naam van de tweede: Kaneelbloesem,- en als naam van de derde: Poederhorentje.
| |
| 15 | Er zijn geen vrouwen te vinden geweest zo schoon als de dochters van Job, in heel het land; hun vader geeft aan hen een erfdeel onder hun broers. ••
| |
| 16 | Job leeft ná dit alles nog honderd en veertig jaar,- hij ziet zijn zonen en de zonen van zijn zonen tot in vier generaties.
| |
| 17 | Dan sterft Job, oud en verzadigd van dagen. | |