Instellingen

1


Dan antwoordt Job de Ene

en zegt:

2


ik erken dat gij alles vermoogt,-

en geen plan voor u onuitvoerbaar is.

3


‘Wie is dat die mijn raad verduistert

zonder iets te weten?’ Daarom heb ik gemeld
   wat ik niet begreep,-

dingen te wonderlijk voor mij
waarvan ik niets wist.

4


‘Hoor toch, dan zal ik spreken,-

ik zal je vragen stellen
en laat jij dan mij alles weten!’

5


Van horen zeggen had ik van u gehoord,-

maar nu
heeft mijn oog u aanschouwd.

6


Daarom herroep ik en heb ik berouw,-

hier op stof en as!
•

7


En het geschiedt

nadat de Ene
   deze woorden tot Job heeft gesproken,-

dat de Ene zegt tot Elifaz de Temaniet:
ontgloeid is mijn toorn tegen u
   en uw twee metgezellen,

omdat ge niet recht van mij gesproken hebt,
   zoals mijn dienaar Job!

8


Nu dan,

neemt u zeven varren en zeven rammen,
   gaat daarmee naar mijn dienaar Job

en laat ze opklimmen
   als opgangsgave voor uzelf;

en Job, mijn dienaar,
moge voor u bidden,-
want zijn aanschijn zal ik opheffen
zonder
met u te doen naar de dwaasheid
dat ge niet recht van mij gesproken hebt,
   zoals mijn dienaar Job!

9


Dan gaan ze, Elifaz de Temaniet,
   Bildad de Sjoechiet

en Tsofar de Naämatiet,
en doen
zoals de Ene tot hen heeft gesproken,-
en verheft de Ene het aanschijn van Job.

10


Nadat de Ene

een kéér gebracht heeft
   in de kerkering van Job,

terwijl hij bidt voor zijn metgezellen,-
vermeerdert de Ene al wat Job heeft
   tot het dubbele.

11


Dan komen tot hem
   al zijn broers en al zijn zussen,
   en al zijn bekenden van voorheen;

zij eten met hem het brood in zijn huis,
schudden het hoofd bij hem en troosten hem
over al het kwaad
dat de Ene over hem heeft doen komen;
ze geven hem
per man één kesita
en per man
één ring van goud.

12


De Ene

heeft het laatste van Job
   meer gezegend dan zijn begin;

hem gewordt
veertienduizend stuks wolvee,
zes duizendtallen kamelen,
duizend juk rundvee en duizend ezelinnen.

13


Hem gewordt een zevental zonen,
   en een drietal dochters.

14


Hij roept als naam van de eerste uit:

Duifje,
als naam van de tweede: Kaneelbloesem,-
en als naam van de derde: Poederhorentje.

15


Er zijn geen vrouwen te vinden geweest
   zo schoon als de dochters van Job,
   in heel het land;

hun vader geeft aan hen
   een erfdeel onder hun broers.

••

16


Job leeft ná dit alles
   nog honderd en veertig jaar,-

hij ziet
zijn zonen en de zonen van zijn zonen
tot in vier generaties.

17

Dan sterft Job,
oud en verzadigd van dagen.