Instellingen

1


Een levende ziel,-

wanneer die nadert
met als toenaderingsgave een broodgift
   voor de Ene:

van volkorenmeel zal zijn toenadering
   dan wezen;

uitgieten zal hij daarover:
olijfolie, en weggeven zal hij daarover
   witte wierook.

2


Doen komen zal hij haar

tot de zonen van Aäron,
de priesters,
en grijpen zal hij daaruit een volle greep
uit haar volkorenmeel en uit haar olijfolie,
bóven al haar wierook;
in rook doen opgaan zal de priester
   een gedenkdeel van haar op het altaar,-

als een vuuroffer, een reuk die-tot-rust brengt
   voor de Ene!

3


En wat er van de broodgift overblijft

is voor Aäron en voor zijn zonen;
een heiligdom van heiliging
   uit de vuuroffers van de Ene!

••

4


En wanneer je nadert met als toenadering
   een broodgift
   gebakken in de oven,-

dan van volkorenmeel: ongezuurde koeken,
   weekgemaakt met olijfolie

en ongezuurde wafels, gezalfd met olijfolie.
••

5


En als een broodgift
   op een plaat je toenadering is:

van volkorenmeel, weekgemaakt
   met olijfolie,
   en ongezuurd zal die wezen.

6


Breek haar in brokken

en overgiet haar met olijfolie;
een broodgift is dat.
••

7


En als een broodgift in een pan
   je toenadering is:

van volkorenmeel met olijfolie
   zul je haar maken.

8


Doen komen zul je de broodgift

die hieruit wordt gemaakt, naar de Ene;
doen naderen zul je haar tot de priester,
en met haar zal hij naar het altaar treden.

9


Als heffing zal de priester
   van de broodgift een gedenkdeel
   van haar nemen

en in rook doen opgaan op het altaar,-
als een vuuroffer, een reuk die-tot-rust-brengt
   voor de Ene.

10


En wat er van de broodgift overblijft

is voor Aäron en voor zijn zonen;
een heiligdom van heiliging is het
   onder de vuuroffers van de Ene!

11


Géén enkele broodgift

welke ge doet naderen tot de Ene
zal aangemaakt worden met gist;
nee, welk zuursel en welk honingzoet ook,-
nooit zult ge daarvan een vuuroffer
   in rook doen opgaan
   voor de Ene.

12


Als éérste toenadering
   kunt ge die doen naderen
   tot de Ene,

maar als een reuk die-tot-rust-brengt
   zullen ze die niet doen opgaan
   op het altaar.

13


En elke toenadering
   met een broodgift van jou

zul je zouten met zout,
en nooit zul je het laten ophouden:
het zout van het verbond met je God,
op je broodgift;
bij elke toenadering van jou
   zul je doen naderen:
   zout!

••