| 1 | Maakt u géén namaakgoden; een gehouwen beeld of een wij-zuil zult ge u niet doen verrijzen, en een stenen vloer met beeldhouwwerk zult ge geen plaats geven in uw land om u daarop neer te buigen; want ik, de Ene, ben uw God!
| |
| 2 | Mijn sabbatten zult ge bewaken en mijn heiligdom zult ge eerbiedigen: ik, de Ene! ••
| |
| 3 | Als ge in mijn inzettingen wandelt, en mijn geboden bewaakt en ze doén zult,
| |
| 4 | dan zal ik geven: regens op hun tijd en zal het land geven: zijn gewas en geeft het geboomte van het veld zijn vrucht.
| |
| 5 | Dan bereikt voor u de dorstijd de druivenpluk en de druivenpluk reikt tot het zaaien; uw brood zult ge eten tot verzadiging en wonen zult ge in uw land in veiligheid.
| |
| 6 | Geven zal ik: vrede op aarde* Of: in het land.,- gaan liggen zult ge en niemand die u opschrikt; boos gedierte zal ik doen ophouden uit het land en geen zwaard doorkruist meer uw land.
| |
| 7 | Achtervolgen zult ge uw vijanden; die vallen dan voor uw aanschijn neer voor het zwaard.
| |
| 8 | Achtervolgen zullen vijf van u een honderdtal en honderd van u zullen een menigte achtervolgen; vallen zullen uw vijanden voor uw aanschijn voor het zwaard.
| |
| 9 | Ik zal mij tot u wenden en u vruchtbaar maken en u vermenigvuldigen; gestand doen zal ik mijn verbond met u.
| |
| 10 | Eten zult ge de oude oogst van het oude jaar, en de oude naar buiten moeten doen vanwege de verschijning van de nieuwe!
| |
| 11 | Mijn woning geef ik plaats onder u: mijn ziel walgt niet meer van u!
| |
| 12 | Omwandelen zal ik onder u en er voor u wezen als God; en gij zult er voor mij zijn als gemeente.
| |
| 13 | Ik, de Ene, ben uw God, die u heb uitgeleid uit het land van Egypte om geen dienaars meer van hén te wezen; ik breek de stangen van uw juk en doe u rechtop gaan. •
| |
| 14 | Maar als ge niet naar mij hoort, en al deze geboden níet doet,-
| |
| 15 | als ge tegen mijn inzettingen weerzin koestert en als uw ziel van mijn rechtspraak walgt,- zodat ge al mijn geboden níet doet, zodat ge het verbond met mij breekt,
| |
| 16 | dan zal ik op mijn beurt dit doen aan u: bezoeking zal ik over u doen met verschrikkelijke dingen: de tering en de koorts, die de ogen doven en de ziel doen wegkwijnen; vergeefs zult ge uw zaad zaaien: uw vijanden zullen het eten!
| |
| 17 | Ik zal mijn aanschijn tegen u de ruimte geven, verslagen wordt ge voor het aanschijn van uw vijanden; uw haters zullen over u lopen,- vluchten zult ge terwijl niemand u achtervolgt.
| |
| 18 | En als ge bij dát alles nog niet naar mij hoort, dan zal ik doorgaan u te tuchtigen om uw zonden,- met het zevenvoudige.
| |
| 19 | Breken zal ik de trots van uw macht; geven zal ik u een hemel als van ijzer en een aarde als van koper.
| |
| 20 | Vergeefs raakt uw kracht uitgeput: uw land geeft niet zijn gewas, en het geboomte van het land geeft niet zijn vrucht.
| |
| 21 | Als ge met mij voortwandelt tegen mij in en niet willens zijt naar mij te horen, zal ik u zevenmaal harder slaan, overeenkomstig uw zonden.
| |
| 22 | Loslaten zal ik op u het wild des velds en kinderloos zal dat u maken, uw vee verscheuren en u tot een klein hoopje maken; doodstil liggen daar uw wegen.
| |
| 23 | En als ge door dat alles u niet door mij laat tuchtigen, en met mij voortwandelt tegen mij in,
| |
| 24 | dan zal ik op mijn beurt met u tegen u ingaan; slaan zal ik u, ja ik, om uw zonden met het zevenvoudige.
| |
| 25 | Doen komen zal ik over u een zwaard der wrake dat het verbond wreekt; verzamelen zult ge u in uw steden; loslaten zal ik dan onder u de pest, zodat ge wordt overgeleverd in de hand des vijands.
| |
| 26 | Wanneer ik bij u de staf die brood is breek, zullen tíen vrouwen uw brood bakken in één oven en uw brood precies-afgewogen terugbrengen: eten zult ge en niet verzadigd worden. ••
| |
| 27 | Als ge bij dat alles nog niet naar mij hoort,- en met mij wandelt tégen mij,
| |
| 28 | zal ik met ú voortgaan in woede tegen u en u tuchtigen, ik op mijn beurt, voor uw zonden met het zevenvoudige.
| |
| 29 | Eten zult ge dan het vlees van uw zonen; en het vlees van uw dochters zult ge eten.
| |
| 30 | Vernietigen zal ik uw hoogten, uw zonnezuilen omhakken, uw lijken een plaats geven bovenop de lijken van uw namaakgoden; walgen zal mijn ziel van u!
| |