Instellingen

1


Stel, een ziel zondigt:

gehoord heeft hij de stem
   van een vervloeking

en hij is dus getuige,
óf hij heeft iets gezien óf hij weet ervan:
als hij het niet meldt,
   drágen zal hij zijn onrecht!

2


Of een levende ziel

die aanraakt
welk ding ook maar dat besmet is,-
óf het lijk van een besmettend wild dier
óf het lijk van een besmettend tam beest,
óf
het lijk van een reptiel dat besmet is,
en het is voor hemzelf verborgen:
toch is híj zelf besmet en schuldig.

3


Of stel, hij raakt de besmetting
   van een mens aan,

welke besmetting van hem ook
waarmee hij besmet kan zijn,
en het is voor hemzelf verborgen,-
hij krijgt er weet van en is schuldig;

4


of een levende ziel,

stel, zwéért, in het geklets van zijn lippen,
   om kwaad te doen of om goed te doen:
   -bij alles wat de mens
   al kletsend kan zweren-
   en het is voor hemzelf verborgen,-

hij krijgt er weet van en is schuldig aan
één van deze dingen;