Instellingen

1

AchIn de brontekst is dit een alfabetisch gedicht met de 22 letters van het Hebreeuwse alfabet.,
hoe eenzaam zit zij neer,
die stad eens zo fier vol mensen,
als een weduwe is zij geworden,-
eens zo fier onder volken,
eens vorstin van de gewesten
is zij nu dwangarbeidster geworden.
••

2

Bitter weent en weent zij in de nacht,
haar tranen stromen haar over de wangen,
van al haar minnaars
   is er geen die haar troost;

al haar gezellen werden haar ontrouw,
zijn haar tot vijanden geworden.
••

3

Geteisterd door ellende,
   overmand door knechtschap,
   is Juda een balling geworden,
zit zij neer tussen de volkeren,
heeft zij geen troost kunnen vinden;
al haar achtervolgers haalden haar in
   tussen haar benauwers.

••

4

De wegen naar Sion zijn in rouw,
omdat weg zijn
   wie eens naar de samenkomst kwamen,

al haar poorten liggen verlaten,
haar priesters zuchten en steunen;
haar jonkvrouwen zijn een en al droefheid
   en zijzelf: bitter is het haar.

••

5

En haar benauwers
   zijn aan het hoofd gekomen,
   haar vijanden tevredengesteld,
omdat de Ene haar in droefheid gestort heeft
   om de overvloed van haar misdaden;

haar kindertjes zijn gekerkerd
   bij de verschijning van een benauwer.

••

6

Fleur en haar luister, het is alles weg
   van Sions dochter,-
geworden zijn haar vorsten
als herten die geen weide wisten te vinden,
beroofd van kracht gaan zij heen
   bij de verschijning van een achtervolger.

••

7

Gedenken zal Jeruzalem
in de dagen van haar vernedering
   en ontheemdheid

alle kostbaarheden die zij had
   sinds de dagen van weleer,-

tot haar gemeenschap in handen viel
   van een benauwer,

en niemand haar te hulp kwam;
toen die verdrukkers haar zagen
lachten ze om haar ongeluk.
••

8

Haar zonde en nog eens zonde is Jeruzalem
daarom tot een staat
   van afzondering geworden;

allen die haar vereerden
   zijn haar gaan verachten
   nu zij haar naakt hebben gezien,

en zij zucht en keert zich achterwaarts.
••

9

In haar zomen zelfs schuilt haar smet,
nooit heeft zij gedacht aan haar toekomst,
zij is wonderbaarlijk diep gedaald,
maar niemand die haar wil troosten.
‘Zie, Ene, mijn vernedering aan,
nu een vijand zich groot heeft gemaakt!’
••

10

Ja, een benauwer heeft zijn hand uitgebreid
over al haar kostbaarheden,-
ja, aanzien moest zij hoe heidenen
haar heiligdom binnenkwamen
over wie gij hebt geboden
dat zij niet in vergadering
   bij u zouden komen!

••

11

Kreunend en steunend
   zoeken allen van haar manschap
   naar brood,
hun kostbaarheden gaven ze al voor eten
   om hun ziel terug te laten keren.

‘Zie aan, Ene, en aanschouw
hoe veracht ik ben geworden!’
••

12

Laat u dit koud,
   allen die op reis voorbijkomt?-
aanschouwt en ziet
of er een smart is als mijn smart
die mij is aangedaan,-
waarmee de Ene
   mij in droefheid gestort heeft

ten dage van zijn gloeiende woede!
••

13

Mijn beenderen, daarin liet hij neerdalen
een vuur dat hij uitzond uit den hoge;
hij spreidde een net uit voor mijn voeten,
   liet mij terugdeinzen, achterover,

gaf mij prijs: een voorwerp van verbijstering,
al den dag gemeden als een zieke.
••

14

Nú zit het juk van mijn misdaden
   vastgebonden; door zijn hand
ineengevlochten
   zijn zij geklommen op mijn hals,
   hij heeft mijn kracht laten struikelen,

mijn Heer heeft mij prijsgegeven
in hun hand, ik kan niet opstaan.
••

15

Om mijn uitgelezen jongemannen te breken
   heeft hij tegen mij
   een samenkomst uitgeroepen,
weggeslingerd heeft mijn Heer
   al mijn machtigen in mijn bereik;

mijn Heer heeft de wijnpers getreden
voor de jonkvrouwe, de dochter van Juda.
••

16

Precies om dit alles ween ik,
stroomt water neer uit mijn oog,
want te ver weg van mij is een trooster
   die mijn ziel kan laten terugkeren;

mijn zonen
   zijn verstard van ontzetting geworden,

omdat een vijand de overhand heeft gehad.
••

17

Reeds houdt Sion haar handen uitgespreid,
maar er is voor haar niemand die troost;
ontboden heeft de Ene tegen Jakob
   die hem omringen om hem te benauwen;

geworden is Jeruzalem in hun ogen
   tot oud vuil.

••

18

Staat hij, de Ene, niet in zijn recht?,
   want tegen zijn mond was ik weerspannig,-
hoort toch, alle gemeenschappen
en ziet mijn smart aan:
mijn jonkvrouwen en mijn jongemannen
   zijn gekerkerd heengegaan!

••

19

Toen ik riep om mijn minnaars
   hebben die mij verraderlijk laten zitten:
mijn priesters en oudsten
   bezweken in de stad,-

terwijl zij zich iets te eten zochten
om hun ziel te laten terugkeren.
••

20

Vol van onrust zijn mijn ingewanden,
   zie, Ene
, hoe benauwd het mij is;
mijn hart heeft zich
   in mijn binnenste omgekeerd,

want weerspannig,
   ja weerspannig ben ik geweest,-

buitenshuis
   heeft een zwaard kinderloos gemaakt,
   binnenshuis de dood.

••

21

Wel hebben zij gehoord
hoe ik zuchtte en kreunde, ik,
maar niemand die mij wilde troosten,
al mijn vijanden
   die van het kwaad over mij hoorden
   werden er vrolijk van

dat gij het hebt gedaan;
wil doen komen de dag die gij zult uitroepen,
dat zij zullen worden als ik.
••

22

Zo kome al hun kwaad voor uw aanschijn,
en doe gij aan hen
zoals ge aan mij om al mijn misdaden
   hebt gedaan;

want mijn verzuchtingen zijn vele,
   mijn hart is er ziek van.

•