Instellingen

1

Ach, hoe heeft mijn Heer in zijn woede
de dochter Sions omwolkt!-
hij heeft uit de hemel ter aarde geworpen
   Israëls luister;

de bank voor zijn voeten
   was hij niet indachtig
   ten dage van zijn woede!

••

2

Barmhartigheid was er niet bij
   toen mijn Heer
alle oases van Jakob verslond,
in zijn verbolgenheid de bolwerken
   van Juda’s dochter afbrak
   en ter aarde wierp;

hij ontwijdde haar koningschap
   en haar vorsten.

••

3

Gloeiend van woede heeft hij afgehouwen
geheel de hoorn van Israël,
heeft hij zijn rechterhand
   achter zich teruggehaald
   bij de verschijning van een vijand;

hij ontbrandde in Jakob als een laaiend vuur
dat om zich heen vreet.
••

4

De boog spande hij als was hij een vijand,
zijn rechterhand ingezet als benauwer,
en wurgde
allen die een lust waren voor het oog;
in de tent van de dochter Sions
heeft hij zijn gramschap uitgegoten als vuur.
••

5

Echt, mijn Heer is als een vijand geweest:
hij heeft Israël verslonden,
heeft al zijn paleizen verslonden,
zijn bolwerken vernietigd;
hij bracht bij de dochter van Juda
   een overvloed aan

gekreun en gesteun.
••

6

Finaal heeft hij zijn loofhut verwoest,
   als was het een tuinmuur,
hij heeft zijn plaats van samenkomst
   vernietigd;

de Ene liet in Sion vergeten
   samenkomst en sabbat,

en verwierp in zijn grimmige woede
   koning en priester.

••

7

Gehoond heeft mijn Heer
   zijn eigen heiligdom,
   hij heeft zijn altaar verstoten,
in de hand van een vijand heeft hij opgesloten
de muren van haar paleizen;
ze hebben in het huis van de Ene
   een geluid laten klinken
   als op een dag van samenkomst.

••

8

Hij moest berekenen, de Ene,
   hoe hij zou vernietigen
   de ommuring van Sions dochter,
hij strekte een meetlint uit,
en heeft zijn hand niet weerhouden
   voordat alles was verzwolgen;

voorwal en muur dompelde hij in rouw,
   samen zakten ze ineen.

••

9

In de aarde zonken haar poorten weg,
haar sluitbalken liet hij teloorgaan en brak hij;
haar koning en haar vorsten
   zijn bij de volkeren
   waar geen tora is,

ook hebben haar profeten
geen visioen meer gevonden bij de Ene.
••

10

Jeruzalems jonkvrouwen
laten haar hoofd ter aarde hangen,
zij hebben stof op hun hoofd gestrooid,
zich met rouwzakken omgord;
verstomd zitten ter aarde neer
   de grijsaards van de dochter Sions.

••

11

Kon ik nog maar!-
   mijn ogen zijn op van tranen,
   mijn ingewanden zijn een en al onrust,
uitgegoten ter aarde is mijn lever, mijn moed,
om de verbrijzeling van mijn dochter,
   mijn gemeente,-

nu kleuter en zuigeling versmachten
op de pleinen van de vesting.
••

12

Loom zeggen ze tot hun moeders:
waar is nog koren en wijn?-
terwijl zij als een doorboorde versmachten
   op de pleinen van de stad,

terwijl hun ziel wordt vergoten
aan de boezem van hun moeders.
••

13

Met wat zal ik je vergelijken,
wat kan ik je betuigen,
o dochter van Jeruzalem,-
wat zal ik met jou gelijkstellen
   om je te troosten,

jonkvrouwe, dochter van Sion!-
want groot als de zee is jouw verbrijzeling,
wie brengt jou nog genezing?
••

14

Nooit hebben ze iets onthuld over je onrecht,
   om je kerkering te keren,
je profeten
schouwden voor jou slechts waan en witkalk;
ze hebben voor jou geschouwd
draaglasten van waan en misleiding.
••

15

Om jou sloegen ontzet de handen ineen
   al wie voorbijkwamen over de weg,
zij floten en schudden hun hoofd
over Jeruzalems dochter:
is dit nu de stad
waarvan ze zeiden
   ‘volmaakt van schoonheid,

een blijdschap voor heel de aarde’?
••

16

Rondom jou
   hebben hun mond opengesperd
   al je vijanden,
zij floten en sisten tussen de tanden,
zij zeiden ‘die hebben we verslonden’,-
echt, dit is de dag
   waarop we hebben gehoopt,
   die we mochten vinden, mochten zien!’

••

17


‘t Plan dat hij al had heeft de Ene gedáán,

van wat hij gezegd had bakte hij brood,
van wat hij geboden heeft
   sinds de dagen van ooit:

hij heeft gesloopt
   en niets en niemand ontzien;

hij heeft over jou een vijand vreugde bereid,
hij heeft de hoorn van je benauwers verheven.
••

18

Schreeuwde je hart tot mijn Heer,-
schutsmuur van de dochter van Sion,
   laat als een bergbeek je tranen neerdalen
   dag en nacht,

gun jezelf geen verflauwing,
laat je oogappel niet stilvallen!
••

19

Terwijl het nog nacht is: sta op en jammer,
   bij het begin van de waken al;
stort als was het water je hart uit
tegenover het aanschijn van mijn Heer,-
hef tot hem je beide handen op
om de ziel van je kindertjes
die versmacht van de honger neerliggen
   aan het begin van alle straten.

••

20

Vrouwen,
   moeten die hun eigen vrucht opeten,
   de kindertjes die worden gekoesterd?-
zie het aan, Ene, en aanschouw
aan wie ge zo hebt gehandeld,
of in het heiligdom van mijn Heer
   moet worden gewurgd priester of profeet?

••

21

Waar je maar keek
   lagen op de straten der aarde
   jong en oud,
mijn jonkvrouwen en jongemannen
   waren gevallen door het zwaard;

gij hebt ze omgebracht
   ten dage van uw woede,

afgeslacht zonder iets of iemand te ontzien!
••

22

Zoals op een dag van samenkomst
   hebt gij al wat mij schrik aanjaagt
   bijeengeroepen van rondom,
er is niemand geweest die ten dage van
   de woede van de Ene
   kon ontsnappen of ontkomen;

wie ik verzorgde en grootbracht,
   aan hen heeft mijn vijand
   een einde gemaakt.

•