Instellingen

27

in-goed is het voor een kerel
dat hij in zijn jeugd een juk draagt;
••

28

ja, laat hij eenzaam zitten en stil zijn
wanneer het hem is opgelegd;

29

ja, laat hij zijn mond neerdrukken in het stof:
misschien is er hoop!-

30

ja, laat hij zijn kaak toekeren aan wie
   hem slaat, en verzadigd worden van smaad!-
••

31

kijk, niet voor eeuwig verstoot hij,
   mijn Heer;

32

kijk, als hij iemand bedroefd heeft
zal hij zich weer ontfermen,
   zo groot is zijn vriendschap;

33

kijk, niet van harte verdrukt hij
en bedroeft hij de zonen van een man;
••

34

laaghartig vertrapt iemand onder zijn voeten
alle gevangenen van een land,

35

leugenachtig
   wordt het recht van een vent gekromd
tegenover het aanschijn van de Allerhoogste,

36

laf wordt een mens in zijn geding
   in het ongelijk gesteld:
mijn Heer zou dat niet zien?-
••

37

mag iemand iets zeggen en geschiedt dat dan,
als mijn Heer het niet heeft geboden?-
   komt niet uit de

38

mond van de Allerhoogste voort
het kwade en het goede?- wat klaagt dan een

39

mens die nog leeft,
een kerel over de straf op zijn zonden?-
••