Instellingen

37

mag iemand iets zeggen en geschiedt dat dan,
als mijn Heer het niet heeft geboden?-
   komt niet uit de

38

mond van de Allerhoogste voort
het kwade en het goede?- wat klaagt dan een

39

mens die nog leeft,
een kerel over de straf op zijn zonden?-
••

40

nee, laten we onze eigen wegen naspeuren
   en doorgronden,
laten we terugkeren naar de Ene; laten we

41

naar de godheid in de hemelen
ons hart en onze handen opheffen;

42

nu wij hebben misdreven en gerebelleerd
hebt gij niet vergeven; hebt ge
••

43

ons achtervolgd en u gehuld in woede,
zonder mededogen gemoord;

44

ondoordringbaar voor een gebed
is de wolk waarin gij u gehuld hebt;

45

ons hebt ge gemaakt
   tot uitvaagsel om weg te werpen,
   in de kring van de gemeenschappen;
••

46

reeds hebben boven ons
   hun mond opengesperd
   al onze vijanden;

47

reeds is schrik en strik ons deel geworden,
ondergang en openbreking;

48

rivieren water dalen neer uit mijn oog
over het gebroken bestaan van de dochter
   van mijn gemeenschap;

••

49

pas bedaart het,
houdt mijn oog op leeg te lopen,-

50

pas als uit de hemel zal speuren en zien
de Ene;

51

pijn doet mijn oog aan mijn ziel
om al die dochters van mijn stad;
   mijn vijanden

••

52

stortten zich als jagende vogels op mij,
zonder aanleiding,

53

smoorden mijn leven in een put
en wierpen stenen op mij; er

54

stroomden wateren over mijn hoofd,
   ik zei al: ik ben van alles afgesneden!-
••

55

toen riep ik uw naam aan, Ene,
vanuit het onderste van de put;

56

toen hoorde gij mijn stem:
   verberg niet uw oor
voor mijn ademtocht, voor mijn hulpgeroep!-

57

ten dage dat ik u aanriep zijt gij genaderd,
hebt gij gezegd: vrees niet!-
••

58

voeren zult gij, mijn Heer,
   de gedingen van mijn ziel,
   verlos mijn leven; mijn