Instellingen

1


Dode vliegen

laten stinken, laten gisten
   de zalfolie van de geurenmenger:

een béétje dwaasheid kost meer
   dan wijsheid, dan eer.

2


Het hart van een wijze
   stuurt zijn rechterhand

en het hart van een dwaas zijn linker.

3


Welke weg ook de dwaas gaat,
   een verstandig hart ontbreekt hem;

zeggen zal hij van iedereen
   dat díe een dwaas is.

4


Als de geest van je heerser
   tegen je opstormt,

verlaat je standplaats niet,-
want geneeskrachtige kalmte
voorkomt grote misslagen.

5


Er is een kwaad,

heb ik onder de zon gezien,-
en wel een dwaling
die voortkomt
   uit het aanschijn van de heerser:

6


de dwaasheid wordt uitgegeven
   op de verhevenste plaatsen,-

en aanzienlijken en rijken
   zitten neer in vernedering.

7


Ik heb dienaars te paard gezien,-

en vorsten
   die als dienaars over het aardland gingen.

8


Wie een kuil graaft kan er zelf in vallen;

wie een tuinmuur doorbreekt
   kan door een slang gebeten worden.

9


Wie stenen lostrekt

kan zich eraan bezeren,-
wie bomen klooft
   kan erdoor in gevaar komen.

10


Als het ijzer stomp is geworden

dan moet hij die de snede niet wet
des te meer kracht zetten;
de winst van iets tijdig geschikt maken
ligt in wijsheid.

11


Als de slang bijt en niet wordt bezworen,-

dan biedt hij geen baat
aan de meester van de tong.

12


Woorden uit de mond van een wijze
   zijn een genade,-

de lippen van een dwaas verslinden hemzelf.

13


Het begin van de woorden uit zijn mond
   is al dwaasheid,-

en het laatste uit zijn mond
is kwade gekte.

14


De dwaas mag vele woorden gebruiken,-

de mens weet niet wat er geschiedt,
en wat er zal geschieden ná hem:
wie zal het hem melden?

15


Het zwoegen van de dwaas vermoeit hem,-

omdat hij de weg naar de stad niet weet.

16


Wee jou, o land,

als je koning een kind is,-
en je oversten in de ochtendvroegte eten!

17


Zalig ben jij, land,

als je koning een zoon is van vrijgeborenen,-
en je oversten eten op de tijd die ervoor is!,
ter versterking en niet om zich te bedrinken.

18


Door vadsigheid zakt het balkwerk ineen,-

en van slappe handen raakt het huis lek.

19


Om te kunnen lachen maken ze brood klaar

en wijn moet het leven verheugen,-
maar met alles is geld gemoeid.

20


Zelfs in je geheimste geweten

moet je de koning niet kleineren,
en binnenskamers waar je neerligt
moet je nooit een rijke vervloeken,-
want het gevogelte des hemels
   gaat er met je stemgeluid vandoor,

en wat vleugels bezit zal je spreken melden.