Instellingen

1


Wees niet overijld met je mond

en laat je hart zich niet haasten
   om een woord te uiten
   voor het aanschijn van God;

want God woont in de hemelen
   en jij op de aarde,

laten daarom je woorden weinige wezen.

2


Want ‘de droom komt door te veel bezigheid,-

en de stem van een dwaas
   door te veel woorden’.

3


Zodra je een gelofte belooft aan God,

wees dan niet traag om die in te lossen,
want in dwazen heeft hij geen behagen;
wat je belooft, moet je doen!

4


Goter goed is het dat je niets belooft,-

dan dat je iets belooft en het niet inlost.

5


Geef je mond niet de kans
   om je vlees te laten zondigen,

dat je voor het aanschijn van de engel
niet hoeft te zeggen dat het een dwaling was;
waarom zou God moeten toornen
   over jouw stem

en het werk van je handen verderven?

6


Want zoals er te veel dromen zijn

zijn er ijle woorden te veel;
nee, vrees liever God!

7


Als je onderdrukking van een arme
   en roof van recht en gerechtigheid
   in het buitengebied ziet,

verwonder je niet over die willekeur;
want een hogere waakt over een hoge,
en weer hogeren over hen samen;

8


één voordeel heeft een land in dit alles:

dat een koning ook te velde wordt gediend.

9


Wie geld liefheeft

wordt van geld nooit verzadigd,
en wie overvloed liefheeft niet van opbrengst;
ook dat is ijlheid.

10


Waar het goed zich vermenigvuldigt

vermenigvuldigen zich die ervan eten;
en welk voordeel hebben de bezitters daarvan
dan alleen dat hun ogen het zien?

11


Zoet is de slaap van de dienstknecht,

of hij nu weinig eet of veel;
maar de verzadiging van de rijkaard
geeft hem geen rust om te slapen.

12


Er is een ziekmakend kwaad

dat ik onder de zon heb gezien:
rijkdom, door zijn bezitter bewaard
   totdat kwaad hem treft;

13


die rijkdom is door kwalijk bedrijf
   verloren gegaan,-

heeft hij dan een zoon geboren doen worden
dan heeft die niet wat-dan-ook in zijn hand;

14


zoals hij uit de schoot van zijn moeder
   is voortgekomen,-

naakt keert hij terug en gaat hij heen,
   zoals hij kwam;

niet wat-dan-ook draagt hij mee
   voor zijn zwoegen

dat hij kan laten meegaan in zijn hand.

15


Ja, dat is een ziekmakend kwaad:

geheel zoals hij is gekomen, zo gaat hij heen;
wat baat het hem dan
dat hij zwoegt tegen de wind?-

16


ook dat hij al zijn dagen eet in het donker,-

veel verdriet heeft, ziekte en gramschap.

17


Ziehier

wat ik heb leren zien, ik:
een goed ding dat ook schoon is, is het
   om te eten, te drinken en het goede te zien
   voor al zijn zwoegen
   waarmee men zwoegt onder de zon,

gedurende het aantal van zijn levensdagen
   dat God hem heeft gegeven,

want dat is zijn deel.

18


Ook iedere mens
   aan wie God geeft rijkdom, schatten
   en de mogelijkheid om ervan te eten,
   zijn deel mee te dragen

en zich bij zijn zwoegen te verheugen,-
dat is
een gave van God.

19


Want hij hoeft niet vaak

na te denken over zijn levensdagen,-
omdat God hem heeft geantwoord
   met verheuging van zijn hart.