Instellingen

1


Ja, in dit alles

zette ik mijn hart erop
   om dit alles te doorgronden:

dat de rechtvaardigen en de wijzen
   en hun verdiensten
   in Gods hand zijn;

én liefde én haat,
niemand van de mensheid die weet heeft
van alles voor hun aanschijn uit,

2


alles

zoals het is voor allen:
eenzelfde lot
   wacht de rechtvaardige en de boosdoener,
   de goede,
   de reine en de besmette,

de offeraar
en wie geen offer brengt,-
zoals wie goed is zo vergaat het de zondaar,
wie een eed zweert
zoals wie een eed vreest.

3


Dat is een kwaad

in alles wat er gedaan wordt onder de zon:
dat eenzelfde lot juist allen wacht,-
en dat het hart van de mensenzonen
   in hun leven vol is van kwaad
   en gekkigheid in hun hart;

daarna: ‘op naar de doden!’

4


Want voor wie verbonden is

met alle levenden, is er nog iets zeker:
want een levende hond: hij heeft het goed,
anders dan de dode leeuw.

5


Want de levenden wéten tenminste
   dat zij sterven gaan,-

en de gestorvenen
weten helemaal niets;
en loon is er voor hen niet meer bij,
want hun nagedachtenis wordt vergeten.

6


Én hun liefde
   én hun haat én hun afgunst
   is reeds lang verloren gegaan;

zij hebben geen deel meer, voor eeuwig,
aan al wat er onder de zon wordt gedaan.

7


Ga voort dan, eet met vreugde je brood

en drink met een goedgestemd hart je wijn;
want reeds lang
heeft God behagen gehad in je daden.

8


Laten te aller tijd

je gewaden wit wezen,-
en laat olie op je hoofd nooit ontbreken.

9


Zie het leven aan
   met de vrouw die je liefhebt,

alle dagen van je ijle leven
die hij je onder de zon zal geven,
al die dagen van je ijle leven;
want dat is je deel in het leven,
ook voor je zwoegen
waarmee jij zwoegt onder de zon.

10


Al wat je hand vindt om te doen,
   doe dat met de kracht die je hebt;

want er is geen doen en geen denken meer,
   geen weten en wijsheid

in het schimmenrijk
waar jij naartoe gaat.
••

11


Weerkerend zag ik onder de zon

dat niet altijd de snelsten de wedloop winnen
   of de helden de oorlog;

soms ook hebben de wijzen geen brood,
   zijn ook de verstandigen niet rijk

en genieten ook de ervarenen
   geen waardering;

want tijd en toeval treft hen allen.

12


Want
   ook weet de mens zijn tijd niet

evenmin als de vissen die gevangen raken
   in een kwalijke fuik

of de vogels die gevangen zitten in de val;
evenals zij raken de mensenzonen verstrikt
in een kwade tijd
als die plotsklaps over hen valt.

13


Ook dit zag ik als iets aangaande wijsheid
   onder de zon,-

en het leek mij van groot belang:

14


er was eens een kleine stad

met maar weinig mannen daarin;
naar haar toe kwam een groot koning,
   die haar omsingelde,

en vlak voor haar grote schansen bouwde;

15


in haar bevond zich

een man die arm was maar zo wijs
dat hij de stad kon uitredden
   door zijn wijsheid;

maar geen mens dacht ooit
aan die arme man!-

16


toen moest ik zeggen, ik:

wijsheid mag gaan boven heldenkracht,-
maar de wijsheid van de arme werd veracht
en van zijn woorden werd er géén gehoord;

17


de woorden van wijzen,

aangehoord in rust,-
gaan boven het geschreeuw van een heerser
   tussen de dwazen;

18


wijsheid is
   een groter goed dan aanvalswapens,-

maar door één zondaar
gaat veel goeds verloren!