| 1 | Ja, in dit alles zette ik mijn hart erop om dit alles te doorgronden: dat de rechtvaardigen en de wijzen en hun verdiensten in Gods hand zijn; én liefde én haat, niemand van de mensheid die weet heeft van alles voor hun aanschijn uit,
| |
| 2 | alles zoals het is voor allen: eenzelfde lot wacht de rechtvaardige en de boosdoener, de goede, de reine en de besmette, de offeraar en wie geen offer brengt,- zoals wie goed is zo vergaat het de zondaar, wie een eed zweert zoals wie een eed vreest.
| |
| 3 | Dat is een kwaad in alles wat er gedaan wordt onder de zon: dat eenzelfde lot juist allen wacht,- en dat het hart van de mensenzonen in hun leven vol is van kwaad en gekkigheid in hun hart; daarna: ‘op naar de doden!’
| |
| 4 | Want voor wie verbonden is met alle levenden, is er nog iets zeker: want een levende hond: hij heeft het goed, anders dan de dode leeuw.
| |
| 5 | Want de levenden wéten tenminste dat zij sterven gaan,- en de gestorvenen weten helemaal niets; en loon is er voor hen niet meer bij, want hun nagedachtenis wordt vergeten.
| |
| 6 | Én hun liefde én hun haat én hun afgunst is reeds lang verloren gegaan; zij hebben geen deel meer, voor eeuwig, aan al wat er onder de zon wordt gedaan.
| |
| 7 | Ga voort dan, eet met vreugde je brood en drink met een goedgestemd hart je wijn; want reeds lang heeft God behagen gehad in je daden.
| |
| 8 | Laten te aller tijd je gewaden wit wezen,- en laat olie op je hoofd nooit ontbreken.
| |
| 9 | Zie het leven aan met de vrouw die je liefhebt, alle dagen van je ijle leven die hij je onder de zon zal geven, al die dagen van je ijle leven; want dat is je deel in het leven, ook voor je zwoegen waarmee jij zwoegt onder de zon.
| |
| 10 | Al wat je hand vindt om te doen, doe dat met de kracht die je hebt; want er is geen doen en geen denken meer, geen weten en wijsheid in het schimmenrijk waar jij naartoe gaat. ••
| |
| 11 | Weerkerend zag ik onder de zon dat niet altijd de snelsten de wedloop winnen of de helden de oorlog; soms ook hebben de wijzen geen brood, zijn ook de verstandigen niet rijk en genieten ook de ervarenen geen waardering; want tijd en toeval treft hen allen.
| |
| 12 | Want ook weet de mens zijn tijd niet evenmin als de vissen die gevangen raken in een kwalijke fuik of de vogels die gevangen zitten in de val; evenals zij raken de mensenzonen verstrikt in een kwade tijd als die plotsklaps over hen valt.
| |
| 13 | Ook dit zag ik als iets aangaande wijsheid onder de zon,- en het leek mij van groot belang:
| |
| 14 | er was eens een kleine stad met maar weinig mannen daarin; naar haar toe kwam een groot koning, die haar omsingelde, en vlak voor haar grote schansen bouwde;
| |
| 15 | in haar bevond zich een man die arm was maar zo wijs dat hij de stad kon uitredden door zijn wijsheid; maar geen mens dacht ooit aan die arme man!-
| |
| 16 | toen moest ik zeggen, ik: wijsheid mag gaan boven heldenkracht,- maar de wijsheid van de arme werd veracht en van zijn woorden werd er géén gehoord;
| |
| 17 | de woorden van wijzen, aangehoord in rust,- gaan boven het geschreeuw van een heerser tussen de dwazen;
| |
| 18 | wijsheid is een groter goed dan aanvalswapens,- maar door één zondaar gaat veel goeds verloren!
| |