Instellingen

1


Na deze besproken zaken,

toen de gramschap van koning Achasjverosj
was bedaard,
dacht hij weer aan Wasjti, wat zij had gedaan
en wat over haar besloten was.

2


Toen zeiden de jongens van de koning
   die hem ten dienste stonden:

laten ze voor de koning
   maagdelijke meisjes zoeken
   die goed van aanzien zijn!-

3


laat de koning
   in alle gewesten van zijn koninkrijk
   aangestelden aanstellen

en laten die elk maagdelijk meisje
dat goed om aan te zien is
   verzamelen in de burcht Sjoesjan
   in het vrouwenhuis,

onder de hand van Hegee,
   een hoveling van de koning,
   bewaker van de vrouwen;

men geve hun
   de nodige schoonheidsmiddelen,-

4


en het meisje

dat het beste zal zijn
   in de ogen van de koning

zal dan koningin worden in plaats van Wasjti!
Dit woord is goed in de ogen van de koning
   en zó doet hij.

••

5


Er is een Judese man geweest

in de burcht van Sjoesjan,-
zijn naam?- Mordochai,
zoon van Jaïer zoon van Sjimi zoon van Kisj,
   een Benjaminiet.

6


Hij is als balling weggevoerd uit Jeruzalem

samen met de ballingen die zijn weggevoerd
samen met Juda’s koning Jechonja,-
die Babels koning Nevoechadnetsar
als balling weggevoerd heeft.

7


Hij wordt voogd-en-vertrouwde
   voor Hadasa,

dat is Ester,
   de dochter van zijn lievelingsoom,

omdat zij geen vader en moeder meer heeft;
het meisje is schoon van gestalte
   en goed om aan te zien,

en bij de dood van haar vader en moeder
heeft Mordochai haar
   als zijn dochter aangenomen.

8


En het geschiedt

als het woord van de koning
   en zijn voorschrift

te horen is
en vele meisjes in de burcht Sjoesjan
onder de hand van Hegai
worden verzameld,-
dat Ester zich in het huis van de koning
   laat opnemen

onder de hand-en-hoede van Hegai,
   de bewaker van de vrouwen.

9


Het meisje is goed in zijn ogen
   en verwerft bij hem
   een vriendelijk aanschijn;

hij is er razend snel mee om haar
   haar schoonheidsmiddelen en maaltijden
   te geven,

en haar ook uit het huis van de koning
   de zeven meest geziene meisjes te geven;

hij verplaatst haar en haar meisjes
   naar het beste deel
   van het huis der vrouwen.

10


Ester heeft niets gemeld

over haar gemeenschap
   en haar geboortegrond,-

want Mordochai had haar geboden
   om dat niet te melden.

11


Aldoor, dag aan dag

wandelt Mordochai heen en weer
langs de voorkant van de voorhof
   van het vrouwenhuis,-

om weet te hebben van Esters vrede
en wat er met haar werd gedaan.

12


Voor meisje na meisje brak de beurt aan

om bij koning Achasjverosj te komen,
na verloop van twaalf maanden
   waarin aan haar geschiedde
   naar het voorschrift voor de vrouwen;

want zó werden de dagen van
   hun schoonheidsbehandeling vervuld:

zes maanden met mirre-olie
en zes maanden met balsemkruiden
en met andere schoonheidsmiddelen
   voor vrouwen;

13


daarmee behandeld

kwam het meisje dan bij de koning;
al wat ze maar zei werd haar gegeven
   om met haar mee te komen

uit het vrouwenhuis
   naar het huis van de koning;

14


in de avond kwam zij aan

en ’s ochtends keerde zij terug
naar een tweede vrouwenhuis,
onder hand-en-hoede van Sjaäsjgaz,
   een hoveling van de koning,
   bewaker van de bijvrouwen;

ze mocht niet meer bij de koning komen,
behalve als de koning behagen in haar had
   en zij bij name werd geroepen.

15


Toen voor Ester, dochter van Avichajil,
   de lievelingsoom van Mordochai

die haar als dochter heeft aangenomen,
   de beurt aanbrak
   om bij de koning te komen,-

verzocht zij met geen woord om iets
behalve wat Hegai, hoveling van de koning
   en bewaker der vrouwen, zei.

Ester wordt iemand die genade oogst
in de ogen van allen die haar zien.

16


Ester wordt meegenomen
   naar koning Achasjverosj,
   naar zijn koninkrijkshuis,

in de tiende maand, dat is de maand Tevet,-
in het zevende jaar van zijn koningschap.

17


De koning krijgt Ester
   boven alle vrouwen lief,

en zij oogst meer dan al die maagden
   genade en vriendschap
   van zijn aanschijn;

hij zet haar een koninkrijkskroon op het hoofd
en maakt haar koningin in plaats van Wasjti.

18


Dan richt de koning een grote feestdronk aan

voor al zijn vorsten en dienaren:
de feestdronk van Ester!-
   een rustperiode heeft hij
   aan de gewesten gegeven,

en een geschenk
   dat past bij de hand van de koning.

19


Als er een tweede inzameling
   van maagden is,-

is Mordochai gezeten
   in de poort van de koning.

20


Maar Ester

vermeldt niet haar geboortegrond
   en haar gemeenschap,

zoals Mordochai haar heeft geboden;
wat Mordochai gezegd had
   heeft Ester gedaan,

zoals toen zij bij hem onder voogdij was.
••

21


In die dagen,

toen Mordochai gezeten was
   in de koningspoort,-

zijn Bigtan en Teresj
   -twee hovelingen van de koning,
   bewakers van de drempel-
   gramstorig geworden

en zochten zij de hand te slaan
aan koning Achasjverosj.

22


Dit woord wordt bekend aan Mordochai,

die het meldt aan koningin Ester,-
en namens Mordochai
   zegt Ester het aan de koning.

23


Het woord wordt nagezocht
   en waar bevonden,

en zij tweeën worden opgehangen
   aan een boom;

voor het aanschijn van de koning
   wordt dat geschreven

op de boekrol
   van de verwoordingen der dagen.