Instellingen

1


Zodra Mordochai

weet wat er allemaal is gedaan,
scheurt Mordochai zijn gewaden
en kleedt hij zich in zak en as;
hij trekt uit, de stad door,
en schreeuwt het uit
   met een groot en bitter schreeuwen.

2


Zo komt hij

tot vóór het aanschijn van de koningspoort,-
want niemand
   mag in de koningspoort komen
   gekleed in een rouwzak.

3


Overal, van gewest tot gewest,

in elke plaats
   welke het woord van de koning
   en zijn voorschrift bereikt,
   is bij de Judeeërs grote rouw,

met vasten, geween en misbaar;
zak en as
is het gespreide bed van velen.

4


Als de meisjes van Ester, en haar hovelingen,
   binnenkomen en haar alles melden,

schrikt de koningin ontzettend;
zij zendt gewaden
   om Mordochai mee aan te kleden

en hem zijn rouwzak te laten afleggen,
   maar hij heeft niets aangenomen.

5


Dan roept Ester Hatach,
   een van ‘s konings hovelingen
   die hij voor haar aanschijn heeft aangesteld,

en gebiedt hem aangaande Mordochai,-
om te weten te komen
   wat dit is en waarom dit is.

6


Hatach trekt uit naar Mordochai,-

naar het stadsplein
vóór de voorkant van de koningspoort.

7


Mordochai meldt hem

al wat hem is overkomen,-
ook het part zilver
waarvan Haman toegezegd heeft
   die voor ‘s konings schatkist af te wegen

als hij de Judeeërs uit mag roeien.

8


En de tekst van het geschrevene
   met het voorschrift
   dat in Sjoesjan is gegeven
   om hen te verdelgen, gaf hij hem mee

om aan Ester te laten zien
   en alles aan haar te melden,-

en om haar te gebieden
binnen te komen bij de koning
   om diens genade af te smeken
   en van zijn aanschijn alles te verzoeken
   voor haar gemeenschap.

9


Hatach komt binnen,-

en meldt aan Ester
de woorden van Mordochai.

10


Dan zegt Ester tot Hatach

en gebiedt hem tot Mordochai te zeggen:

11


alle dienaren van de koning

en ook de bevolking van ‘s konings gewesten
weten dat voor elke man of vrouw
die bij de koning
   in de binnenste voorhof binnenkomt

zonder geroepen te zijn,
maar één voorschrift geldt: doden!,
alleen wie de koning
   zijn gouden scepter aanreikt
   overleeft het;

ík
ben de laatste dertig dagen
niet opgeroepen om bij de koning te komen!

12


Ze melden aan Mordochai

de woorden van Ester.

13


Dan zegt Mordochai
   dat ze hiermee naar Ester

moeten terugkeren:
verbeeld je maar niet dat jij met lijf-en-ziel
in het huis van de koning
   als enige van alle Judeeërs
   kunt ontsnappen!-

14


want als jij blijft zwijgen en zwijgen
   in dit tijdsgewricht,

staat er voor de Judeeërs
verademing en redding gereed
   vanuit een andere plaats,

maar jij en je vaders huis
   zullen verloren gaan!-

wie weet
of jij niet voor een tijd als deze
het koningschap bereikt hebt!

15


Dan zegt Ester
   dat men hiermee naar Mordochai
   moet terugkeren:

16


ga heen, zet alle Judeeërs
   die zich in Sjoesjan bevinden bij elkaar

en vasten jullie voor mij,
eet niet en drinkt niet, drie dagen lang
   nacht en dag;

ook ikzelf zal met mijn meisjes zo vasten,-
en zo
zal ik bij de koning binnenkomen,
   tegen het voorschrift in;

maar kom ik om dan kom ik om!

17


Mordochai maakt de oversteek,-

en doet
naar al wat Ester hem geboden heeft.
••