Instellingen

1


In diezelfde nacht

is ’s konings slaap geweken;
hij zegt dat men moet komen
met de boekrol van de gedenkwaardigheden,
   de verwoordingen der dagen,

en dan wórden ze voorgelezen
   voor het aanschijn van de koning.

2


Men vindt geschreven

wat Mordochai eens meldde
   over Bigtana en Teresj,

twee hovelingen van de koning,
bewakers van de drempel,-
die hebben getracht
   een hand uit te strekken

tegen koning Achasjverosj.

3


De koning zegt dan:

wat is er toen gedaan?-
een eerbewijs of iets groots voor Mordochai
   hiervoor?

Maar de jongens van de koning
   die hem ten dienste staan, zeggen:

aan hem is geen woord gedaan!

4


De koning zegt: is er iemand in de voorhof?-

juist is Haman aangekomen
in de buiten-voorhof
   van het huis des konings

om tot de koning te zeggen
dat hij Mordochai wil hangen
aan de paal die hij voor hem heeft opgericht.

5


’s Konings jongens zeggen tot hem:

ziedaar, Haman staat net in de voorhof!,
en de koning zegt: laat hij binnenkomen!

6


Haman komt binnen

en dan zegt de koning tot hem:
wat te doen
met de man
aan wie het de koning behaagt
   eer te bewijzen?

Haman zegt in zijn hart:
aan wie anders
zal het de koning behagen eer te bewijzen
   dan aan mij?

7


En Haman zegt tot de koning:

een man
aan wie het de koning behaagt
   eer te bewijzen?-

8


laten ze komen met een koninklijk kleed

waarmee de koning bekleed is geweest,-
en een paard
waarop de koning heeft gereden,
en een koninkrijkskroon
   die op zijn hoofd geplaatst is geweest;

9


men geve het kleed en het paard

in handen van iemand
uit ‘s konings vorsten en edelen;
bekleden zullen ze daarmee de man
aan wie het de koning behaagt
   eer te bewijzen,

en op het stadsplein
   zullen ze hem laten rijden
   op het paard

en voor zijn aanschijn uit roepen:
zó wordt nu gedaan aan de man
aan wie het de koning behaagt
   eer te bewijzen!

10


Dan zegt de koning tot Haman:

haast je, neem dat kleed en dat paard
   zoals je hebt verwoord,

en doe zo aan de Judeeër Mordochai
die neerzit in de poort van de koning;
en laat geen woord vervallen
van alles wat je hebt verwoord!

11


Dus neemt Haman het kleed en het paard,

en kleedt Mordochai aan;
hij laat hem rijden op het stadsplein
en roept voor zijn verschijning uit:
zó wordt nu gedaan aan de man
aan wie het de koning behaagt
   eer te bewijzen!

12


Mordochai keert terug
   naar de poort van de koning,-

maar Haman gaat ijlings naar zijn huis,
in rouw en met het hoofd omhuld.

13


Als Haman aan zijn vrouw Zeresj en
   aan al zijn beminden vertelt
   wat hem allemaal is overkomen,-

zeggen zijn wijzen
   en zijn vrouw Zeresj tot hem:

als het er een uit het zaad van de Judeeërs is,
die Mordochai
voor wiens verschijning
   je bent begonnen te vallen,
   zul je niet tegen hem opkunnen,

nee, vallen,
   neervallen zul je voor zijn aanschijn!

14


Nog spraken zij zo met hem

toen ’s konings hovelingen hem bereikten,-
om ijlings met Haman aan te komen
bij de feestdronk die Ester had aangericht.