Instellingen

1


Zo komt de koning met Haman aan

om met koningin Ester
   de feestdronk te hebben.

2


Ook op deze tweede dag zegt de koning
   bij het drinken van de wijn tot Ester:

wat ook je wens is, koningin Ester,
   het zal je worden gegeven,-

en wat ook je verzoek,
   tot de helft van het koninkrijk:
   het zal worden gedaan!

3


Koningin Ester zegt ten antwoord:

als ik genade heb gevonden in je ogen,
   o koning,

en als het de koning goeddunkt,-
dan worde mij op mijn wens
   mijn lijf-en-ziel gegeven

en op mijn verzoek mijn gemeenschap.

4


Want wij zijn verkocht,
   ikzelf en mijn gemeenschap,

om ons te verdelgen,
   te vermoorden en uit te roeien;

waren we als dienstknechten
   en slavinnen verkocht,
   dan had ik gezwegen,

want dat is geen nood die groot genoeg is
   om de koning mee lastig te vallen!

••

5


Dan zegt koning Achasjverosj,

hij zegt tot koningin Ester:
wie is dat wel en waar is hij wel
wiens hart er vol van is om zoiets te doen?

6


Ester zegt:

de man die ons benauwt en vijandig is,
is deze kwaadaardige Haman!
Haman is helemaal overvallen
voor het aanschijn van de koning
   en de koningin.

7


De koning is in zijn gramschap opgestaan,
   weg van het drinken van de wijn

de paleistuinen in,-
terwijl Haman blijft staan
om koningin Ester om gratie te verzoeken
   voor lijf-en-ziel,

want hij heeft wel ingezien
dat het kwaad over hem totaal geworden is
   dat hij van de koning kan verwachten.

8


Als de koning

uit de paleistuinen terugkeert naar het huis
   waar de wijn gedronken wordt

en Haman juist neervalt
op het bed waarop Ester ligt,
zegt de koning:
ook nog geweld te gebruiken
   tegen de koningin bij mij hier in huis?-

dit woord
is nog niet uit ‘s konings mond uitgegaan
of ze hebben Hamans aanschijn al afgedekt.

9


Dan zegt Charvona, een van de hovelingen,
   tot ‘s konings aanschijn:

ziedaar ook nog de paal
   die Haman heeft gemaakt
   voor Mordochai, hoewel die voor de koning
   ten beste heeft gesproken:

hij staat bij Hamans huis,
vijftig el hoog!
De koning zegt: hangen jullie hem daaraan!

10


Zo hangen ze Haman op

aan de paal
   die hij voor Mordochai had opgericht;

dan is ‘s konings gramschap bedaard.
••