In het eerste jaar van Koresj als koning van Perzië heeft de Ene, om het woord van de Ene vanuit de mond van Jeremia te voltrekken,- de geest van Perziës koning Koresj opgewekt, en heeft hij een roepstem heel zijn koninkrijk laten doorkruisen en ook in geschrifte gezegd:
zó heeft gezegd Koresj, koning van Perzië: alle koninkrijken der aarde zijn aan mij gegeven door de Ene, de God des hemels,- en híj heeft mij opgedragen voor hem een huis te bouwen in Jeruzalem in Juda;
3
wie onder u lid van heel zijn gemeente is: zijn God zij met hem, en hij klimme op naar Jeruzalem in Juda,- en bouwe het huis van de Ene, Israëls God, want hij is de God die in Jeruzalem is;
4
en al wie resteert: uit alle plaatsen waar hij zwerver-te-gast is moeten de mannen van zijn woonplaats hem ondersteunen met zilver en goud, met have en vee,- naast de vrijwillige bijdrage voor het huis van God in Jeruzalem!
5
Ze staan op, de vaderhoofden van Juda en Benjamin, en de priesters en de Levieten,- ja, ieder wiens geest God heeft opgewekt om op te klimmen, om te bouwen het huis van de Ene in Jeruzalem.
6
En allen die hen omringden hebben hun handen versterkt met voorwerpen van zilver, met goud, have en vee en met kostelijkheden,- boven alles wat al vrijwillig werd bijgedragen. ••
7
Koning Koresj heeft de voorwerpen van het huis van de Ene tevoorschijn gehaald,- die Nevoechadnetsar tevoorschijn gehaald had uit Jeruzalem en een plek had gegeven in het huis van zijn god.
8
Perziës koning Koresj haalt ze tevoorschijn door de hand van Mitredat, de schatmeester,- die ze uittelt voor Sjeesjbatsar, de gezagdrager over Juda.
9
Dit zijn hun aantallen: bokalen van goud: dertig, bokalen van zilver: een duizendtal, offerschalen: negenentwintig; ••
10
kelken van goud: dertig, kelken van zilver, dubbeldikke: vier honderdtallen en tien; andere voorwerpen: een duizendtal; ••
11
alle voorwerpen van goud en zilver zijn er vijfduizend en vierhonderd; dit alles heeft Sjeesjbatsar mee laten opklimmen toen de ballingen opklommen van Babel naar Jeruzalem. •