Instellingen

1


Maar toen profeteerden

de profeet Haggai
en de profeet Zecharja, zoon van Ido,
tot de Judeeërs
in Juda en Jeruzalem,-
met de naam van Israëls God over hen.
••

2


Terstond

stonden Zeroebavel, zoon van Sjealtiël,
   en Jesjoea, zoon van Jotsadak, óp

en hervatten de bouw
van het huis van God in Jeruzalem;
méé hadden ze de profeten van God
   die hen ondersteunden.

3


In diezelfde tijd echter kwam tot hen
   Tatenai, stadhouder van over-de-Rivier,

met Sjetar Boznai, en hun ambtgenoten;
en zó hebben zij tot hen gezegd:
wie heeft aan u het bevel uitgevaardigd
om dit huis te herbouwen
en deze muur te voltooien?
••

4


Vervolgens zeiden ze tot hen aldus:

wat zijn de namen van de kerels
die dit gebouw herbouwen?

5


Maar het oog van God

was op Juda’s oudsten,
en ze stopten hen niet
tot er een verslag naar Darjavesj zou gaan,-
en daarna hierover een brief zou terugkeren.

6


Afschrift van de brief, gezonden

door Tatenai,
   stadhouder van over-de-Rivier,

Sjetar Boznai en zijn ambtgenoten,
de ambtenaren
van over-de-Rivier,
aan koning Darjavesj.

7


Ze zonden hem een relaas,-

en daarin stond aldus geschreven:
aan koning Darjavesj vrede alom!-
••

8


het zij hem, de koning, bekend

dat wij ons naar het gewest Juda
   hebben begeven,

naar het huis van een groot God
dat wordt herbouwd met steenblokken
en waar hout wordt gezet tegen de wanden;
aan dat werk wordt zorgvuldig gewerkt
   en het gaat onder hun handen voorspoedig;

••

9


vervolgens

hebben wij deze oudsten ondervraagd;
aldus hebben wij tot hen gezegd:
wie heeft voor u het bevel uitgevaardigd
voor de herbouw van dit huis
en de voltooiing van deze muur?-

10


ook hebben wij aan hen hun namen gevraagd
   om aan u bekend te maken,

en hebben de naam opgeschreven
   van de kerels
   die bij hen aan het hoofd staan;

••

11


en aldus hebben zij ons antwoord gegeven
   en gezegd:

wij zijn
dienaren van de God van hemel en aarde
en herbouwen een huis dat al gebouwd is
vele jaren hiervóór;
een groot koning over Israël
heeft het gebouwd en voltooid;

12


daar echter

onze vaderen daarna de God des hemels
   hebben getergd,

heeft hij hen overgegeven
in de hand van Babels koning
   Nevoechadnetsar,
   de Chaldeeër;

dit huis heeft hij verwoest
en de gemeente
heeft hij in ballingschap gevoerd naar Babel;
••

13


doch in het eerste jaar

van Koresj als koning van Babel,-
heeft koning Koresj het bevel uitgevaardigd
om dit huis van God te herbouwen;

14


en ook de vaten van het huis van God,
   van goud en van zilver,

die Nevoechadnetsar
uit de tempel in Jeruzalem heeft weggehaald
en heeft gebracht
naar de tempel in Babel,-
die heeft koning Koresj weggehaald
uit de tempel in Babel
en gegeven aan Sjeesjbatsar -is zijn naam-
die hij als stadhouder heeft aangesteld;

15


hij heeft tot hem gezegd:

til deze vaten op,
ga heen en zet ze neer
in de tempel te Jeruzalem;
dat huis van God
   moet op zijn oude plek worden herbouwd!-

••

16


terstond is deze Sjeesjbatsar

aangekomen,
heeft het huis van God in Jeruzalem
   weer fundamenten gegeven,-

en van toen af tot nu toe wordt er gebouwd,
   maar het is nog niet voltooid;

17


welnu,

als het de koning goeddunkt,
worde in het huis met ‘s konings schatten
   daar in Babel uitgezocht

of het zo is
dat er vanwege koning Koresj
   een bevel is uitgevaardigd

om het huis van God in Jeruzalem
   te herbouwen,-

en des konings behagen hierin
   moge hij ons toezenden!

••